Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding

Onderzoeks(ver)richtingen in de praktijk van de mbo-docent

Project

In verschillende mbo-instellingen worden docenten aangemoedigd onderzoekend te werken aan verbetering van hun onderwijs. De afgelopen jaren hebben wij verschillende initiatieven gevolgd op vijf mbo-instellingen. Wat houden de initiatieven in en hoe verlopen ze? En zetten ze docenten daadwerkelijk aan tot meer onderzoekend werken? Deze vragen hebben de afgelopen jaren centraal gestaan in het onderzoek naar ‘Onderzoeks(ver)richtingen in de praktijk van de mbo-docent’.

Dit onderzoek is in 2017 door Jannet Doppenberg en Marco Snoek van het Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding, en in samenwerking met de HU en ECBO aangevraagd bij NRO. Als onderzoeker heeft Eline van Batenburg eveneens een rol in het project gespeeld.

Hieronder wordt allereerst een samenvatting van het onderzoeksrapport gepresenteerd, gevolgd door een link naar het rapport en de ontwikkelde praatplaat.

Samenvatting

Kwaliteitsverbetering van het onderwijs wordt de afgelopen jaren steeds meer gelinkt aan onderzoekend werken door onderwijsprofessionals. Van individuele docenten en docententeams wordt verwacht dat zij hun onderwijspraktijk continu verbeteren. Dit veronderstelt dat docenten(teams) in het mbo kritische vragen stellen over hun onderwijspraktijk, dat zij bronnen gebruiken om hun onderwijs te verbeteren en dat zij nieuwe aanpakken evalueren.

De vijf mbo-instellingen uit het consortium hebben behoefte aan inzicht in hoe onderzoekend werken van docenten(teams) op hun instelling betekenis krijgt. Daarnaast willen zij zicht krijgen op interventies die bijdragen aan het versterken van onderzoekend werken van docenten en docententeams en/of aan onderwijsverbetering.

Mbo-instellingen uit het consortium hebben zelf interventies aangedragen die volgens hen samenhangen met onderzoekend werken. Bij deze interventies zijn gedurende drie schooljaren gegevens verzameld via een kwalitatieve studie en vragenlijst studie. Samenwerking tussen professionele onderzoekers en docentonderzoekers had als oogmerk de doorwerking van het onderzoek naar de beroepspraktijk te versterken.

Uit de resultaten komt naar voren dat onderwijsprofessionals op de mbo-instellingen nieuwsgierig zijn, experimenteren en vernieuwen als kenmerkend zien voor onderzoekend werken door docenten in het mbo. Hiermee geven zij een aanvulling op onderzoekend werken zoals beschreven in de literatuur. Daarnaast valt op dat onderwijsprofessionals onderzoekend werken voornamelijk opvatten als iets dat docenten individueel doen in plaats van met hun docententeam.

Ook komt uit de resultaten naar voren, dat onderzoekend werken wordt beschouwd als een middel om te leren hoe de onderwijspraktijk kan worden verbeterd.

Docenten op de mbo-instellingen werken onderzoekend door (a) kritische reflectie op het eigen handelen en dat van collega’s, (b) op de hoogte te willen blijven en actief kennis op te doen, (c) te willen begrijpen, (d) gegevens te verzamelen en in te zetten en e) perspectieven in hun werk te willen verkennen. De resultaten van de vragenlijststudie laten zien dat de docenten tevreden zijn over de onderwijsverbeteringen die zij realiseren, zowel in de eigen lessen als in de opleiding als geheel. Er is echter wel behoorlijke spreiding tussen deelnemers in de mate waarin zij deze verbeteringen toeschrijven aan de interventies.

Als bevorderend voor onderzoekend werken zien docenten:

(a) een passende organisatiestructuur en facilitering;
(b) de urgentie voor aanpassing van het onderwijs vanuit het werkveld;
(c) eensgezindheid tussen docenten over de richting van of onderwijsconcept onder de onderwijsverbetering;
(d) steun van collega’s voor de onderzoekende manier van werken;
(e) samenwerking met collega’s;
(f) een organisatiecultuur waarin onderzoekend werken de norm is.

Aanvullend komt uit de vragenlijstresultaten naar voren dat vertrouwen in kunnen en kritisch-reflectief werkgedrag met elkaar samenhangen: self-efficacy hangt samen met individueel werkgedrag en team-efficacy hangt samen met team werkgedrag. Verder blijkt dat de invloed van de interventies op onderwijsverbetering verschilt voor opbrengsten in de klas en opbrengsten in de opleiding. De mate waarin docenten opbrengsten voor de opleiding ervaren, wordt voornamelijk voorspeld door de mate waarin het team kritisch-reflectief werkgedrag vertoont. Een ander beeld tekent zich af bij de opbrengsten in de klas. Anders dan verwacht speelt het onderzoekend werken van individuele docenten geen rol van betekenis. Het blijkt dat de mbo-instelling waar de docent werkzaam is, bepaalt in hoeverre deze kennis heeft van de interventie en betrokken is bij de besluitvorming hierover. Het is deze betrokkenheid die vervolgens bepaalt in welke mate docenten opbrengsten op klasniveau ervaren.

Een aanbeveling voor mbo-professionals is om met elkaar in gesprek te gaat over onderzoekend werken. Elke mbo-instelling heeft ambassadeurs die onderzoekend werken door docenten helpen versterken, zoals docentonderzoekers. In kader van het onderzoeksproject is met docentonderzoekers een praatplaat ontwikkeld als hulpmiddel voor het voeren van het gesprek over onderzoekend werken.

Publicaties

Brouwer, P., Doppenberg, J., Boersma, A., Wagemakers, S., & van Batenburg, E. (2021). Onderzoeks(ver)richtingen in de praktijk van de mbo-docent. Hogeschool Utrecht, Hogeschool van Amsterdam en ECBO. (rapport)

Brouwer, P., Doppenberg, J., Boersma, A., Wagemakers, S., & van Batenburg, E. (2021). Onderzoekend werken aan onderwijsverbetering. Hogeschool Utrecht, Hogeschool van Amsterdam en ECBO. (praatplaat)

Zie voor meer informatie en inspiratie: linkedin.nl en ecbo.nl

Gepubliceerd door  Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding 24 november 2021

Project Info

Startdatum 24 nov 2021