Hogeschool van Amsterdam

LO in Beweging

Oude - nieuwe generatie deel V: Gym en Nederlands

Hans Dijkhoff (64) en Niels Groot (30)

17 nov 2020 17:23 | LO in Beweging

De één startte zijn ALO-opleiding in 2010, de ander in 1976. De één gooide er op de middelbare school met de pet naar en de ander juist op de ALO. Beide heren bewandelden het vrij onverwachte pad van gymleraar tot docent Nederlands. Ze vonden hun passie in sport, schrijven en de Nederlandse taal. Maar wel specifiek in een sportomgeving!

Nieuw

Niels Groot groeide op in Langedijk, deed twee jaar langer over het vwo dan de bedoeling was, vond Nederlands stom (“ik ben geloof ik niet eens geslaagd voor dat vak…”) en begon daarna aan de ALO. “Wat een verademing om een opleiding te doen naar mijn keuze! Ik wilde iets met sport doen en docent worden, dus dit paste perfect bij mij. Omdat ik al twee jaren had ‘weggegooid’ op de middelbare school, heb ik vrij serieus de ALO doorlopen, keurig binnen vier jaar.

Ik ontdekte er door de jaren heen dat de Nederlandse taal vóór mij werkte! Ik maakte mooie verslagen en ook gesprekken en assessments gingen mij prima af; ik was gewoon goed in Nederlands in woord en geschrift.” Na zijn afstuderen was hij ruim vier jaar vakleerkracht Bewegingsonderwijs op de St. Jozefschool in Amsterdam. Een fantastische periode die hij absoluut niet had willen missen, maar een toekomst in het basisonderwijs als gymdocent zag hij niet zitten. Na een korte tussenperiode bij Alkmaar Sport zag hij de vacature voor docent Nederlands op het CIOS; ze zochten iemand die affiniteit heeft met sport en bewegen. Twee maanden later begon hij aan de baan: “Het is een gelukkig huwelijk gebleken.”

Oud

Hans Dijkhoff was jong en naïef tijdens de ALO. Hij vond alles leuk (binnen en buiten de studie) en besteedde te veel tijd buiten de opleiding. In het derde jaar brak hij zijn been en raakte door de revalidatie behoorlijk achter. Zes jaar na aanvang behaalde hij zijn diploma. Hij kreeg verschillende invalbaantjes als gymdocent in het primair en voortgezet onderwijs, werkte vervolgens lang op de Rijksmiddelbare Tuinbouwschool in Lisse en op het Coornhert Lyceum in Haarlem.

Al gauw schreef Hans voor het schoolblad (“ik zat trouwens altijd al in redacties, bijvoorbeeld ‘De cALOrie’ hier op de ALO”). In 2001 werd hij afgekeurd vanwege een te slechte knie. Hij moest dus ander soort werk zoeken; werd hoofdredacteur van Lichamelijke Opvoeding Magazine van de KVLO en ging Nederlands studeren. Logisch toch? In 2003 keerde hij terug op de ALO Amsterdam als docent Didactiek en later ook als docent Nederlands: “Het Nederlands van veel studenten was niet best. Ik heb nog een taalwijzer voor hen gemaakt, met grammatica- en spellingsregels.” Sinds 2013 doet hij alleen nog stagebezoeken en over drie jaar start zijn AOW.

Uithangbord

Dat het Nederlands vaak te wensen overlaat, dat herkent Niels wel: “Dat is bij mijn studenten ook vaak zo. Ik snap ook hoe dat werkt bij die jongens en meiden. Natuurlijk is spelling niet leuk, ze doen het CIOS niet voor het Nederlands. Ik gebruik mijzelf dan ook als voorbeeld in mijn lessen. Ik ben jong en sportief, vond leren ook stom. Maar heb ontdekt dat de Nederlandse taal mijn uithangbord is: ik kan mezelf presenteren, laat er een indruk mee achter, het hielp me door stages heen en bij sollicitatiegesprekken. Super functioneel dus.” Hans knikt goedkeurend van achter zijn computer. Hij lijkt het wel te waarderen, een jonge gast die snapt hoe belangrijk de Nederlandse taal is. En die de boodschap ook nog eens verder verspreidt! Niels heeft zelfs nog een aantal weken les gehad van Hans op de ALO, maar daar hebben ze beiden geen sterke herinneringen meer aan. “Wel dat we in Hans zijn lessen leerden hoe we wetenschappelijke teksten moesten lezen, het ging natuurlijk allang niet meer over spelling.”

Taalpuristen

Zijn zij nou van die types die de Nederlandse taal bewaken? “Tja,” zegt Hans, “al zou ik wel willen, taal verandert met de tijd, dat is nu eenmaal zo. Wel keur ik soms verslagen van ALO-studenten af op het Nederlands, dan vind ik echt dat het beter moet.” Niels kijkt (buiten school om) eerst even in welk gezelschap hij verkeert, voordat hij zich uitspreekt: “Het wordt echt niet altijd gewaardeerd, je moet een beetje aanvoelen wanneer het kan. Voordat je het weet word je uitgemaakt voor taalpurist,” lacht hij. Ondanks zijn werk voelt hij zich geen docent Nederlands ‘pur sang’. “Ik zou niet op een andere school Nederlands willen geven. Ik ben een sportman die Nederlands geeft op het CIOS.” Hans moet er om lachen, want voor hem geldt dit ook: “Nederlands is voor mij een middel om me in de beweeg- en sportwereld nuttig te maken; bij de KVLO en op de ALO, mooier kan het niet.” Zie je wel, dat Nederlands functioneel is!