Hogeschool van Amsterdam

Binnen 5 jaar biologische en chemische analyses mogelijk op plaats delict

21 okt 2011 10:08 | Afdeling Communicatie
Christianne de Poot werkt sinds 2004 bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is zij sinds februari 2010 lector Forensisch Onderzoek bij het kenniscentrum Techniek van de Hogeschool voor Amsterdam. Tijdens een interview vertelt zij gepassioneerd over nieuwe technische ontwikkelingen in het forensisch onderzoek en over haar lectorschap. Achtergrond Ik heb jarenlang onderzoek gedaan naar de recherche en naar opsporingsprocessen. Ik heb daardoor veel rechercheprocessen geobserveerd waarbij ik bekeek welke zoeklijnen en sporen de recherche volgt en hoe zij naar bewijs zoekt. Tijdens deze onderzoeken heb ik Forensisch Technisch onderzoek altijd meegenomen. Daarna heb ik mij gericht op onderzoek naar criminaliteitsfenomenen, ook om opsporingsmethoden aan te passen aan deze fenomenen. Bij het WODC richt ik me vooral op criminaliteitsfenomenen zoals georganiseerde misdaad en jihadisch terrorisme, maar ook weer op opsporingsmethoden. Momenteel doe ik vanuit WODC bijvoorbeeld onderzoek naar gebruik van de telefoontap als opsporingsmethode, in het verleden heb ik onderzoek gedaan naar grootschalig DNA-onderzoek als opsporinginstrument.

Ik heb bij het WODC altijd wel een aantal onderzoeken onder mijn hoede die te maken hebben met de opsporing.

Lector Forensisch Onderzoek Het lectoraat Forensisch Onderzoek is eigenlijk een dubbel lectoraat. Ik ben zowel lector bij de Politieacademie als bij het kenniscentrum Techniek van de HvA. Ik ben benaderd voor deze functie omdat de oprichters van het lectoraat zochten naar iemand met een brede generalistische blik op het opsporingsveld. Iemand die zicht heeft op de rol van forensisch onderzoek in het opsporingsproces en op de waarde van forensische sporen in de context van een zaak. Ze wilden dus iemand aantrekken die niet louter specialistisch geschoold was in het forensische veld, bijvoorbeeld vanuit de technische, chemische of biologische hoek, maar iemand die verstand had van het hele opsporingsproces.

Doordat ik onderzoek heb gedaan naar allerlei verschillende aspecten van het opsporingsproces en criminaliteitsfenomenen, en bovendien geïnteresseerd ben in technologische ontwikkelingen in het opsporingsdomein, paste de functie goed bij mijn achtergrond. Sinds februari 2010 ben ik lector Forensisch Onderzoek bij de Politieacademie en de HvA.

Heb jij ook invloed op de invulling van het lesprogramma naar aanleiding van je onderzoeken? In het lectoraat richt ik me eigenlijk vooral op onderzoek, maar die onderzoeken leiden natuurlijk tot inzichten die via het onderwijs moeten worden uitgedragen naar de toekomstige professionals. In dat geval leidt dat tot nieuw lesmateriaal. Bij de HvA is het lesprogramma van de opleiding Forensisch Onderzoek al heel breed. Mijn visie over de wijze waarop forensisch onderzoek zou moeten worden onderwezen sluit goed aan bij dat lesprogramma. De docenten hebben veel oog voor nieuwe innovaties en ontwikkelingen en integreren die ook in hun lesprogramma. Voor het onderwijs aan de Politieacademie geldt eigenlijk hetzelfde, zij het dat die opleiding meer is gericht op het politiewerk.

Je zegt dat HvA studenten van de opleiding Forensisch Onderzoek breed opgeleid worden, met welke facetten van het werkveld komen studenten in aanraking? Het hele proces van Forensisch Onderzoek wordt behandeld; van het onderzoeken van de plaats delict tot en met het vaststellen van de waarde van het bewijs in de rechtszaal. Studenten leren alle aspecten van het sporenonderzoek vanaf het moment dat er een zaak is. Ze leren niet alleen sporen te zoeken en veilig te stellen op de plaats delict (wat politiewerk is), maar ook het analyseren van die sporen (het werk dat in gespecialiseerde forensische laboratoria wordt verricht). Vervolgens leren ze te bepalen wat de waarde is van die sporen voor het opsporings- en vervolgingstraject; ze leren dus de bewijswaarde vast te stellen, van de sporen (het werk van de rechterlijke macht).

In het opsporingsproces zitten veel ingewikkelde communicatiemomenten omdat er verschillende professionals betrokken zijn bij dit werk. Zo moet de waarde en de betekenis van de sporen, nadat ze zijn geanalyseerd, beschreven worden op een manier die voor tactische rechercheurs en voor juristen te begrijpen is. Dit is vaak ingewikkeld omdat technische rechercheurs en laboranten een bèta- achtergrond hebben, terwijl tactische rechercheurs en juristen dat meestal niet hebben. Het is in de opsporing heel belangrijk dat bevindingen uit verschillende delen van het onderzoek worden gedeeld tussen mensen die een rol spelen in het opsporingsproces. Het is dus cruciaal dat er goed kan worden gecommuniceerd tussen mensen met verschillende achtergronden die verschillende rollen spelen in dit proces. Het interessante van de opleiding Forensisch Onderzoek aan de HvA is dat daar in het lesprogramma veel aandacht voor is en dat het lesprogramma juist deze hele breedte van het opsporingsproces dekt.

Waar gaat het door jou ontwikkelde onderzoeksprogramma over? Mijn onderzoeksprogramma richt zich op de gevolgen van technische ontwikkelingen voor het vakgebied. Daarnaast op het integreren van informatie uit verschillende delen van het opsporingsonderzoek en het communiceren over sporen. Met dit programma wil ik een bijdrage leveren aan het voorkómen van tunnelvisie in de opsporing en aan de verdere professionalisering van het (forensische) opsporingsproces. We betrekken het onderwijs heel erg bij het onderzoek; ik doe op dit moment bijna alleen maar onderzoek met studenten.

Bij de opleiding aan de HvA en aan de Politieacademie leren studenten hoe ze sporenonderzoek op plaats delict moeten verrichten. Mijn onderzoeksprogramma sluit hierbij aan. In de praktijk is elke plaats delict uniek en kan elke plaats delict maar één keer onderzocht worden op sporen. Maar voor de lesprogramma's bouwen we plaatsen delict na. Dat biedt de mogelijkheid om dezelfde plaats delict verschillende keren te onderzoeken op sporen. Voor het onderwijs is dit nodig om de vaardigheden van de studenten te kunnen beoordelen. Voor onderzoek biedt het de unieke mogelijkheid om de invloed van nieuwe werkwijzen systematisch te onderzoeken. Zo doen we experimenteel onderzoek naar het effect van het verstrekken van tactische voorinformatie op het sporenonderzoek op plaats delict. Dit doen wij naar aanleiding van een lopende discussie in het opsporingsveld over de vraag of de beschikking over tactische voorinformatie tunnelvisie in de hand werkt. Dus over de vraag op welk moment forensische rechercheurs van beschikbare tactische informatie op de hoogte moeten worden gesteld. Voor dit onderzoek delen we studenten in in drie groepen. De ene groep krijgt correcte tactische voorinformatie, de tweede groep krijgt incorrecte tactische voorinformatie en de derde groep krijgt geen tactische informatie. Op deze manier onderzoeken we hoe deze tactische informatie het sporenonderzoek op de plaats delict beïnvloedt. We verwachten dat correcte tactische informatie het opsporingsproces op de plaats delict helpt, maar dat incorrecte tactische informatie het sporenonderzoek tegenwerkt. Zo kunnen we onderzoeken op welke wijze deze nadelen kunnen worden ondervangen. Met dit onderzoek maken we rechercheonderzoeken dus onderwerp van herhaalbaar experimenteel onderzoek en kunnen we meten welke werkwijze het beste is.

We werken samen met de studenten en docenten van zowel de Politieacademie als de HvA bij deze onderzoeken. We kijken hierbij ook naar de verschillen; waarin verschillen de wat breder opgeleide studenten van de HvA in hun werkwijze bijvoorbeeld van de studenten van de Politieacademie die juist heel specialistisch zijn opgeleid in het verrichten van sporenonderzoek op de plaats delict?

Technische ontwikkelingen bij sporenonderzoek in de toekomst In de toekomst wordt het steeds beter mogelijk om op de plaats delict als rechercheur zelf bepaalde analyses te doen. Chemische en biologische sporen hoeven dan niet meer naar het laboratorium gestuurd te worden voor nadere analyses, maar chemisch onderzoek en DNA-onderzoek kan dan meteen op de plaats delict worden uitgevoerd.

Momenteel worden sporen eerst veilig gesteld en dan naar het laboratorium gestuurd. Daar worden de sporen onderzocht waarna de informatie bij de rechercheur binnenkomt. Er zit een tijdsperiode van enkele dagen tot soms wel enkele weken tussen het moment waarop de sporen werden veiliggesteld, en het moment waarop de analyse-informatie in de opsporing of bewijsvoering kan worden gebruikt. Het wordt binnen nu en 5 jaar mogelijk om chemisch en biologisch onderzoek op de plaats delict uit te voeren en ook daar vergelijkingen te maken tussen aangetroffen sporen en sporen die zijn opgenomen in gegevensbestanden. De sporen kunnen dan al direct op de plaats delict worden geïnterpreteerd.

Lab-on-a-chip technologie Lab-on-a-chip technologie is ontwikkeld om biochemische analyses buiten het laboratorium te kunnen verrichten. Hiertoe zijn productietechnieken uit de computerchiptechnologie toegepast om chips te maken met vloeistofkanalen. In deze kanalen kunnen allerlei biochemische analyses worden uitgevoerd. Door het verkleinen van de analyseapparatuur, heb je dus een heel klein laboratorium op een chip. Hierdoor is het mogelijk om snellere en nauwkeurigere metingen te verrichten op minder materiaal, en wordt het laboratorium bovendien draagbaar gemaakt. In de medische wetenschap worden deze geminiaturiseerde labs al veel gebruikt. In het forensische onderzoek nog nauwelijks, maar men is bezig met het ontwikkelen van de mogelijkheid om DNA-onderzoek op biologische sporen te verrichten met behulp van deze techniek. Als die mogelijkheid beschikbaar komt, kan er al op de plaats delict DNA-onderzoek worden verricht. Dat zou een doorbraak betekenen in het forensische veld.

Spectraal camera's Ook wordt er in de toekomst gebruik gemaakt van chemische analyses door middel van licht. Ook deze techniek is ontwikkeld in de medische wetenschap. Door sporen vast te leggen met speciaal ontwikkelde spectraal camera's kun je de chemische samenstelling van bepaalde sporen vastleggen, nog voordat je die sporen hebt ontdekt. Door middel van deze techniek kun je dus al op de plaats delict de chemische samenstelling van aangetroffen sporen bepalen. Zo kan dus direct worden bepaald of een bepaald spoor bijvoorbeeld bloed, port of rode lippenstift is, en zelfs hoe oud aangetroffen bloedsporen zijn.

ICT-ontwikkelingen Ook door verdere ontwikkelingen op het gebied van de micro- nanoelectronica verandert het forensische opsporingsproces, omdat er hierdoor steeds meer informatie op steeds kleinere geheugenschijven en chips kunnen worden geplaatst. Zo wordt het vergelijken van DNA- en vingersporen in databanken bijvoorbeeld ook mobiel mogelijk gemaakt in de nabije toekomst.

Nieuwe technische ontwikkelingen; voordelen en nadelen Deze nieuwe technische ontwikkelingen bieden voordelen, maar brengen ook grote risico's met zich mee. Je raakt namelijk een aantal natuurlijke controlemechanismen kwijt. Waar eerst verschillende professionals betrokken waren bij het proces van veiligstellen, analyseren en interpreteren van sporen, kunnen die drie processen in de toekomst worden geïntegreerd en door één persoon worden verricht. Daarnaast kun je, doordat je aangetroffen sporen direct kunt interpreteren, al snel een bepaalde richting op denken die niet per se de juiste hoeft te zijn. Dit brengt een groter risico met zich mee betreft het ontstaan van tunnelvisie in de opsporing. Het is daarom van belang om nu al, voordat deze nieuwe technieken helemaal 'uitontwikkeld' zijn, te onderzoeken op welke wijze ze het beste gebruikt kunnen worden in de praktijk.

HvA studenten werken nu al met de nieuwe methoden In samenwerking met docenten en studenten van de Hogeschool van Amsterdam en van de Politieacademie verrichten wij onderzoek naar de mogelijkheden en de gevolgen van de nieuwe technieken op het (forensische) opsporingsproces. Met behulp van dossierstudies proberen we te achterhalen in welke situaties deze apparaten de meeste meerwaarde bieden. Met behulp van experimenten onderzoeken we vervolgens op welke wijze het opsporingsproces in deze situaties door het gebruik van deze nieuwe technieken wordt beïnvloed. Dit kunnen we doen nog voordat de apparaten in werkelijkheid bestaan. In een experimentele setting geven we mensen de mogelijkheid een pseudo-apparaat te gebruiken. Zo kunnen we onderzoeken hoe het apparaat wordt ingezet en welke gevolgen het heeft als rechercheurs in een vroege fase van het opsporingsproces beschikken over forensische analyse-informatie. Door de ene groep studenten de beschikking te geven over zo'n nieuw apparaat, en de andere groep op de traditionele wijze te laten werken, kun je goed de voor- en nadelen van deze nieuwe werkwijze onderzoeken. Zo kunnen we kennis over de mogelijkheden en dilemma's van deze nieuwe technieken in het onderwijs integreren, nog voordat deze apparaten op de markt zijn. Met deze kennis probeert het lectoraat de praktijk klaar te maken voor de toekomst zodat de producten later makkelijk en goed te implementeren zijn in het werkproces.

Dat dit soort onderzoek nodig is blijkt in de huidige opsporingspraktijk. Ook nu zijn er al veel producten beschikbaar voor de praktijk, waarmee het forensische onderzoek kan worden versneld. Zo kan DNA-onderzoek tegenwoordig al binnen 6 uur worden verricht. Toch worden deze producten relatief weinig afgenomen. Dit is vermoedelijk een gevolg van het feit dat politiekorpsen een standaardwerkwijze hanteren. Het is dan gemakkelijker om op de oude voet door te gaan, dan om iets nieuws uit te proberen. Bovendien is het voor hen soms moeilijk te bepalen in welke situaties de nieuwe technische mogelijkheden een meerwaarde kunnen bieden. Daarnaast brengen nieuwe mogelijkheden ook nieuwe risico's met zich mee die men niet kent. Voordat je nieuwe mogelijkheden invoert in de praktijk moet je dus goed onderzoeken op welke wijze je hiermee de opsporingskansen optimaal kunt benutten, zonder daarmee de integriteit van het opsporingsproces aan te tasten. Met goed onderzoek kun je de praktijk toerusten zodat de nieuwe kansen die zich door deze technieken aandienen kunnen worden benut als de technische mogelijkheden daartoe zijn uitontwikkeld .

Het is niet moeilijk om de toekomstige professionals nieuwe technieken en werkwijzen aan te leren. Studenten en docenten zijn immers betrokken bij ons onderzoek. Wel is het een uitdaging om ook de grote groep mensen te bereiken die al werkzaam is in het veld. Dit doen we ondermeer door ook doorgewinterde rechercheurs bij onze onderzoeken te betrekken. Ook onderhouden we nauw contact met bijvoorbeeld de Expertgroep Forensische Opsporing en de Politieacademie. In de toekomst zullen we ook bij- en nascholingscursussen ontwikkelen.

Hoe lang duurt de onderzoeksperiode naar een nieuwe technische ontwikkeling gemiddeld? Dat is altijd afhankelijk van de mensen en middelen die je tot je beschikking hebt. Het lectoraat is zonder mensen en middelen begonnen; er werd een lector en programmamanager aangesteld maar er was verder niet veel budget. Dit wil niet zeggen dat je niets kunt doen. Je hebt docenten en studenten die je in bepaalde periodes van het jaar kunt inzetten voor onderzoek. Maar om het onderzoek echt voortvarend te laten verlopen heb je wat meer mankracht nodig.

We proberen daarom nu geld binnen te krijgen via een subsidie om vaart te kunnen geven aan het onderzoek. Als dat lukt hopen we over 4 jaar zover te zijn dat de praktijk klaar is voor de nieuwe apparaten en weet hoe deze het beste kunnen worden ingezet. Tegen de tijd dat de apparaten klaar zijn, zou de praktijk dan ook klaar zijn voor de apparaten.

Is het lectoraat voldoende geïntegreerd met het onderwijsprogramma van de docenten volgens jou? Is er wel genoeg interactie met het werkveld/de praktijk? Jazeker, ik denk dat wij het geluk hebben dat we in de eerste plaats een tweeledig lectoraat zijn. We werken met ervaren politiemensen waardoor, voor de studenten van de HvA, de link naar de praktijk heel snel gelegd is. Daarnaast bieden studenten nieuwe inzichten en wordt er hierdoor met een frisse blik gekeken naar problemen die in de praktijk leven. Studenten dragen vaak dingen aan die ook voor professionals in de praktijk interessant zijn.

Daarbij hebben we ook een programmamanager, Bertus Postema, die al 40 jaar bij de politie werkt, waarvan 20 jaar in het Forensisch Onderzoek. Hierdoor hebben we een goed netwerk. Dit heeft tot gevolg dat de vragen die wij onderzoeken, door de praktijk zijn aangedragen, waardoor alle partijen dus ook het nut van dit onderzoek inzien.

Al voordat ik deze functie aanvaardde wist ik dat mijn interesse lag bij onderzoek naar de mogelijkheden en ontwikkeling van nieuwe forensische technieken en naar de doorvertaling hiervan naar de praktijk. Dit vind ik de meest belangrijke onderzoeksvraag in dit werkveld omdat het opsporingsproces door deze ontwikkelingen sterk wordt beïnvloed. Het is spannend om te zien welke gevolgen nieuwe opsporingsmogelijkheden en nieuwe werkwijzen met zich meebrengen en om te onderzoeken hoe nieuwe opsporingskansen kunnen worden benut, terwijl tevens de integriteit van dat proces wordt gewaarborgd.

Slag van onderzoek naar praktijk Ik doe onderzoek ten behoeve van en met de praktijk. Ik vind het daarom ook belangrijk dat de onderzoeksvragen vanuit het werkveld zelf komen. Wij vragen in ons netwerk en tijdens bijeenkomsten met experts uit de verschillende beroepenvelden ook steeds tegen welke problemen zij aanlopen en welke vragen zij beantwoordt zouden willen zien. Het is goed om te merken dat dingen die ik interessant vind, ook voor hun prangende vragen zijn. Zij zijn daarom ook bereid bijdragen te leveren aan ons onderzoek. Bijvoorbeeld door als proefpersoon deel te nemen aan onze experimenten of door praktijkruimten beschikbaar te stellen voor onze experimenten. Zelf zou ik het heel leuk vinden om in de toekomst ook promovendi aan te trekken, zodat het wetenschappelijke aspect van ons onderzoek ook goed tot zijn recht komt. Dit onderzoek heeft niet alleen de praktijk, maar ook de wetenschap veel te bieden.

Hoe lang ben je bezig geweest met het ontwikkelen van dit onderzoeksprogramma? Ik ben sinds februari 2010 bezig met het ontwikkelen, en deels ook het uitvoeren, van dit onderzoeksprogramma. Dus ruim anderhalf jaar. Sommige onderzoeken was ik in het beginsel al van plan, het is leuk om te zien dat deze onderwerpen ook in het werkveld op de agenda staan en dat ik via het lectoraat de mogelijkheid krijg om echt iets in beweging te zetten.

Op woensdag 26 oktober geef je een openbare les, is dit een spannend moment voor je? Ik vind het vooral een voorrecht om dit te mogen doen. En ik vind het heel leuk dat er veel mensen uit het werkveld lijken te komen die het interessant vinden om te horen wat we doen. Wat ik het spannendst vind is dat er deze keer ook familie in de zaal zit!

De openbare les wordt voorafgegaan door een themadag voor studenten waarbij communicatie over forensische sporen en de dilemma's die spelen bij verschillende communicatiestromen belangrijke peilers zijn. Studenten presenteren hun visie en hun bevindingen en kunnen hierover in gesprek gaan met experts uit de praktijk. Ik verheug me op die discussies.