Relaties, niet alleen resultaten: wat De Staat van het Onderwijs ons laat zien
Nieuws
Deze week is De Staat van het Onderwijs 2026 gepresenteerd. Opnieuw werd zichtbaar wat veel leraren en ouders voelen: het gaat niet goed met het welzijn van jongeren. In beleid en onderzoek wordt dit vaak benaderd als een individueel mentaal gezondheidsprobleem. Karin van de Lagemaat, professional doctorate kandidaat bij de Hogeschool voor Amsterdam, pleit voor een andere blik.
Door de voortdurende druk op jongeren om te presteren kan falen al snel omslaan in gevoelens van tekortschieten en onmacht, met zelfs uitval tot gevolg. In beleid en onderzoek wordt welzijn nog te vaak benaderd als een individueel mentaal gezondheidsprobleem, zoals ook de Onderwijsraad (2026) recent constateert. Dat leidt tot een reflex richting meer zorgstructuren en extra lessen over veerkracht of welzijn. Maar wie denkt dat we dit kunnen oplossen met een extra programma of interventie, kijkt niet diep genoeg. Het probleem ligt niet alleen bij jongeren, maar in hoe wij onderwijs organiseren.
Ruimte voor verbinding
In mijn werk op de Hogeschool van Amsterdam en op de Montessori Scholengemeenschap Amsterdam (MSA) zie ik dagelijks hoezeer onderwijs draait om relaties én hoe weinig ruimte we daar structureel voor maken. We vragen veel van jongeren. Ze moeten presteren, plannen, kiezen, reflecteren en zichzelf ontwikkelen. Tegelijkertijd brengen ze hun dagen door in een systeem dat sterk versnipperd is: wisselende docenten die in hun eentje voor de klas staan, volle roosters, weinig tijd voor echte aandacht. Verbinding wordt verwacht, maar zelden georganiseerd.
Het is dan ook niet vreemd dat jongeren die verbinding elders zoeken. Online, waar je gezien kunt worden of het gevoel hebt dat je erbij hoort. Dat dit geen abstract probleem is, blijkt ook uit het werk van leerlingen zelf. Zo schreef Zoë van der Meer, een leerling van de MSA, een profielwerkstuk over haar eigen mentale gezondheid op school, dat dit najaar wordt uitgegeven door Luitingh-Sijthoff. Jongeren analyseren hun eigen werkelijkheid scherp. De vraag is of wij als volwassenen bereid zijn daar echt naar te handelen.
Een leerling die zich gezien voelt, is zelden het ‘product’ van één goede docent, maar van een team dat samen optrekt, elkaar weet te vinden en verantwoordelijkheid deelt.

Karin van de Lagemaat
Professional doctorate kandidaat
Kwaliteit van relaties
Als we het welzijn van jongeren serieus nemen, moeten we stoppen met het stapelen van interventies en beginnen bij de basis: de kwaliteit van relaties in school. Dat vraagt iets van leraren. Maar vooral van hoe wij het werk van leraren organiseren.
Leraren die hun leerlingen echt kennen, hebben tijd en ruimte nodig. Niet alleen in het klaslokaal, maar juist daarbuiten in samenwerking met collega’s. Want een leerling die zich gezien voelt, is zelden het ‘product’ van één goede docent, maar van een team dat samen optrekt, elkaar weet te vinden en verantwoordelijkheid deelt.
Positief effect van teamleren
In mijn onderzoek naar teamleren zie ik wat er gebeurt als scholen die ruimte wél creëren. Wanneer leraren samen onderwijs ontwerpen, elkaar ondersteunen en gezamenlijk optrekken verandert er iets fundamenteels. Leerlingen zeggen dan zelf dat ze voelen dat ze gedragen worden. Dat ze er niet alleen voor staan.
En nog belangrijker, ze zien hoe volwassenen samenwerken, omgaan met verschillen en verantwoordelijkheid nemen. Precies die sociale vaardigheden die we zo belangrijk vinden, maar die in huidige schoolorganisaties nauwelijks zichtbaar zijn.
Ons onderwijssysteem is nog altijd ingericht op efficiëntie: maximale lestijd, minimale overlap, strakke roosters. Maar wat efficiënt is georganiseerd, is niet per definitie goed voor mensen. Nu De Staat van het Onderwijs opnieuw laat zien dat het mentale welzijn van jongeren onder druk staat, is dat een oproep om fundamenteel anders te kijken. Meer ruimte maken voor relatie en samenwerking én voorleven hoe leerlingen zich tot anderen kunnen verhouden. Dat vraagt lef van beleidsmakers, schoolleiders, lerarenopleidingen én van de samenleving. Want als jongeren zich vooral online gezien voelen, moeten we ons niet alleen afvragen wat er mis is met die online wereld, maar vooral wat er ontbreekt op school en in onze samenleving.