Gemeenteraadsverkiezingen: Geen plek voor Microsoft in Westelijk Havengebied
In de Amsterdamse politiek gonst het alweer richting maart: de gemeenteraadsverkiezingen en de daaropvolgende coalitieonderhandelingen. Rick van Kersbergen, expert op het gebied van Sustainable AI, maakt zich zorgen over de komst van een nieuw datacenter in het Westelijk Havengebied voor Microsoft. Hij vraagt zich af: wat zou de ecologische, maatschappelijke en politieke impact zijn van deze ontwikkeling? En breder nog: hoe moeten gemeenten zich verhouden tot dit soort besluiten, nu de vraag naar digitale infrastructuur door de opkomst van AI alleen maar verder toeneemt?
Foto: datacenter bij Flevopark. Het nieuwe datacentrum bij Westpoort gaat 10.000 vierkante meter tellen in drie torens (hoger dan bovenstaand datacenter)

Kunstmatige intelligentie is in korte tijd doorgedrongen tot vrijwel alle domeinen van het dagelijks leven. Studenten gebruiken taalmodellen voor studieondersteuning, ambtenaren experimenteren met AI-toepassingen voor beleidsanalyse, en bedrijven optimaliseren hun processen met behulp van datagedreven systemen.
AI is geen hype meer, maar infrastructuur. Het is daarom niet vreemd dat Amsterdam als kennisstad wil meebewegen met deze ontwikkeling. Een stad met universiteiten, hogescholen, startups en een sterke creatieve industrie wil niet achterblijven wanneer een nieuwe technologische golf zich aandient.
Vanuit dat perspectief lijkt de komst van een grootschalig datacenter logisch. Datacenters vormen immers de fysieke ruggengraat van ons digitale ecosysteem.
Toch wringt er iets.
Niet alleen vanwege de manier waarop het besluitvormingsproces rondom de komst van deze energieslurpende hyperscale volgens berichtgeving in Het Parool tot stand is gekomen, maar ook omdat het grootste datacenter van Amsterdam vrijwel volledig in gebruik wordt genomen door de Amerikaanse Big Tech-gigant Microsoft.
De komst van zo’n centrum heeft niet alleen ecologische gevolgen, maar raakt ook aan de vraag wie zeggenschap heeft over de digitale infrastructuur waarop onze samenleving steeds sterker leunt.
Beslag op schaarse ruimte
Allereerst is er de ecologische dimensie. Datacenters zijn grootverbruikers van water en elektriciteit. Volgens NRC (opent in nieuw venster) zal dit specifieke datacenter ongeveer evenveel stroom gebruiken als alle huishoudens in Haarlem samen.
Daarnaast leggen ze beslag op schaarse ruimte. Dit is een regio waar woningbouw, energietransitie en industrie al concurreren om vierkante meters en netcapaciteit. Iedere nieuwe grootverbruiker betekent extra druk op een energiesysteem dat nog midden in de transitie zit en overbelast wordt; in delen van Nederland zijn nieuwe stroomaansluitingen vanaf de zomer waarschijnlijk niet mogelijk (opent in nieuw venster).
De vraag is dan ook niet alleen of zo’n datacenter technisch mogelijk is, maar ook of het maatschappelijk de beste inzet is van beperkte ruimte, energie en infrastructuur.
Vergroot de afhankelijkheid niet verder
Maar duurzaamheid gaat verder dan milieu-impact alleen. Zoals hoogleraar Aimee van Wynsberghe stelt (opent in nieuw venster), voorziet duurzame ontwikkeling in de behoeften van het heden, zonder die van toekomstige generaties te ondermijnen. Duurzaamheid gaat dus niet alleen over uitstoot of efficiëntie, maar ook over de vraag welke systemen we in stand houden, voor wie ze werken en welke maatschappelijke belangen daarmee worden gediend.

Toegepast op AI betekent dit dat we moeten kijken naar energieverbruik of CO2-uitstoot, maar ook naar de manier waarop digitale infrastructuur economische macht verdeelt, publieke waarden beïnvloedt en toekomstige beleidskeuzes bepaalt.
Wanneer een datacenter hoofdzakelijk ten dienste staat van één niet-Europese commerciële partij, verschuift de discussie dan ook van “hoe energiezuinig is het gebouw?” naar fundamentelere vragen: draagt deze infrastructuur bij aan een rechtvaardige en toekomstbestendige digitale ontwikkeling? Versterkt zij de economische en politieke veerkracht van de regio, of vergroot zij juist bestaande afhankelijkheden?

Gemeenten moeten publieke belangen verdedigen
In Europa groeit het besef dat digitale infrastructuur in hoge mate afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese technologiebedrijven. Dat maakt dit debat groter dan Amsterdam alleen.
Met de toenemende vraag naar AI zullen vergelijkbare vragen ook in andere gemeenten op tafel komen te liggen. Juist daarom hoort dit onderwerp thuis in de gemeenteraadsverkiezingen: niet omdat gemeenten deze besluiten altijd zelfstandig nemen, maar omdat zij wel mee moeten kunnen beslissen over de voorwaarden waaronder zulke infrastructuur wordt toegestaan, en omdat zij richting provincies en andere overheden publieke belangen moeten verdedigen.
De kernvraag voor de komende gemeenteraad is dan ook niet of zij “voor” of “tegen” technologie is. De vraag is welke digitale infrastructuur Amsterdam wil faciliteren, samen met provincie en andere bestuurslagen, en onder welke voorwaarden. Als er ruimte wordt geboden aan een nieuw datacenter, dan moet die keuze gepaard gaan met duidelijke publieke randvoorwaarden: transparantie over energiegebruik, aantoonbare maatschappelijke meerwaarde en expliciete ruimte voor Europese of publieke alternatieven.
Gemeenteraadsverkiezingen als uitgelezen moment
De gemeenteraadsverkiezingen bieden een uitgelezen moment om deze vragen expliciet te stellen. Durft de nieuwe raad kritisch te kijken naar de komst van dit datacenter? En als het antwoord uiteindelijk “ja” blijft, durft zij dan voorwaarden te formuleren waar publieke waarden mee worden genomen in de discussie?
De toekomst van Amsterdam als digitale stad wordt niet alleen bepaald door hoeveel data er wordt opgeslagen, maar vooral door wie er de controle over heeft en in wiens belang die infrastructuur wordt ingericht.