Logo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpaginaLogo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpagina

Klimaatadaptatie meten: elke graad telt

Nieuws
Klimaatadaptatie meten

Steden warmen op, sneller dan verwacht. Om ze leefbaar te houden, moeten we precies weten hoe warm het waar wordt, en welke maatregelen echt werken. Dante Föllmi, docent-onderzoeker bij het lectoraat Klimaatbestendige Stad, vertelt erover.

Het klimaat is aan het veranderen, met zwaardere buien, langduriger hittegolven en aanhoudende droogte. En dat heeft ingrijpende gevolgen. Zo overleden zomer 2025 in Europa naar schatting 24.000 mensen door de aanhoudende hitte - klimaatverandering had hier een groot aandeel in. Dat vraagt om maatregelen. Maar wie gericht wil ingrijpen, heeft betrouwbare data nodig. 

Weersomstandigheden in de stad
Waarom niet vertrouwen op de data van het KNMI, het nationale weerinstituut? ‘Die KNMI-meetstations staan buiten de stad,’ legt Föllmi uit. ‘Maar de variabiliteit in weeromstandigheden binnen een stad is minstens zo dynamisch als in het buitengebied. Denk aan verdamping in een groen park versus een straat met alleen gebouwen, of wind die anders stroomt rond gebouwen. Al die variabelen samen bepalen bijvoorbeeld de gevoelstemperatuur op een specifieke plek, en die kan flink afwijken van wat een weerstation buiten de stad meet.’

Föllmi is voor zijn onderzoek veel buiten in de openbare ruimte. Met meetapparatuur in de hand - soms een soort mobiel weerstation vol sensoren, soms een paal van anderhalve meter hoog - registreert de klimaatonderzoeker zoninstraling, windsnelheden, temperaturen en verdamping in de openbare ruimte. Zijn missie: begrijpen wat er gebeurt in en rond gebouwen en parken, en bij bewoners thuis als het warmer, droger of juist natter wordt.

Hoe ontstaan temperatuurverschillen?
Ook binnen de stad kunnen de verschillen groot zijn. Op een hete zomerdag kan de gevoelstemperatuur in een dichtbebouwde Amsterdamse straat zonder groen gemakkelijk 10 tot 18 graden Celsius hoger liggen dan in een park verderop. Ook is, vooral ’s avonds en ’s nachts een groot verschil tussen stad en buitengebied: het stedelijk hitte-eilandeffect. Föllmi brengt die variatie in kaart, wijk voor wijk, straat voor straat. Want alleen met gedetailleerde kennis, handelingsperspectieven en richtlijnen kunnen gemeenten en woningcorporaties effectieve maatregelen nemen.

Verschillen zitten hem soms in verrassend kleine dingen. Zo werkt Föllmi momenteel mee aan een project rond biobased gevelbekleding. Hij meet wat zo’n duurzame gevel doet met de temperatuur binnenshuis én op straat. Straalt het materiaal warmte uit? Heeft het effect op de directe omgeving?. ‘Warmtewerende materialen zijn niet altijd eenduidig effectief voor de openbare ruimte,’ vertelt hij. ‘Alleen onder specifieke condities kunnen ze bijdragen aan verkoeling. Bijvoorbeeld als ze op de zuidgevels worden geplaatst of een materiaal vervangen die erg veel warmte uitstraalt op een later moment op de dag..

Föllmi is ook betrokken bij een onderzoek waarbij klimaatreeksen worden doorgerekend. Dit om te bepalen welke maatregelen het meest effectief zijn tegen droogte.Een van zijn meest verrassende bevindingen gaat over bomen, of liever gezegd: over de aanname dat een boom pas nuttig is als hij uitgegroeid is. ‘Ik deed metingen bij kleine, pas aangeplante boompjes. Die bleken al 30 tot 40 procent te koelen van wat een volgroeide boom kan,’ vertelt hij. ‘Gemeenten zeggen soms: het duurt vele jaren voor je iets aan een boom hebt. Die gedachte klopt dus niet. Klimaatadaptatiemaatregelen hebben direct effect. Dat is een belangrijk inzicht voor de praktijk.’

Schaduwmakers tegen hitte
Ook andere schaduwmakers, zoals pergola’s, worden onder de loep genomen door Föllmi en zijn collega’s. Bij de Openbare Bibliotheek Amsterdam testte het lectoraat makkelijk verplaatsbare objecten die schaduw creëren. ‘We zien dat dit concept werkt,’ zegt de docent-onderzoeker. ‘Soms is een tijdelijke, verplaatsbare oplossing net zo effectief als een boom, en je hebt minder tijd en ruimte voor nodig.’ Een boom moet immers geplant worden op een plek waar hij goed kan wortelen en moet zeker in het begin soms verzorgd worden.
Het onderzoek bij de bibliotheek is onderdeel van een interdisciplinaire samenwerking tussen gemeente, onderzoek en ondernemers. ‘Naast de koelvraag, kijken we ook naar de beleving van gebruikers en bewoners en naar de haalbaarheid van het implementeren van maatregelen binnen de gemeentelijke routes. Dit komt ten goede komt aan het opschalen van zulke maatregelen.’

Föllmi en zijn collega’s werken vaker nauw samen met praktijkpartners, niet alleen gemeentes, maar ook woningcorporaties en waterschappen. De eerste vraag die hij projectpartners stelt: welke handvatten heb je nodig om klimaatmaatregelen te kunnen nemen? ‘We vertalen onze data naar concrete richtlijnen, zoals: ‘zorg dat mensen binnen driehonderd meter een koele plek kunnen bereiken’, en naar beslisbomen voor een onderbouwd besluit. We nemen ambtenaren met concrete voorbeelden mee in ons verhaal.’

Meten, monitoren en modelleren
Het maken van die praktische vertaalslag is een punt dat Föllmi na aan het hart ligt. Want hoewel AI en klimaatmodellen steeds vaker worden ingezet, blijft fysiek meten wat hem betreft onmisbaar. ‘Modellen zijn handig ter ondersteuning, maar we moeten meten en monitoren om ze nauwkeurig te maken en te houden. Bovendien geven metingen tastbare resultaten. Een tijdreeks van temperatuurmetingen is voor mensen - ook voor wie ongeletterd is of niets van wiskunde begrijpt - een stuk concreter en begrijpelijker.’

Föllmi gaat regelmatig bij bewoners langs om gegevens te verzamelen. Hoe ervaren mensen hitte in hun wijk? Wat voelen zij van extra schaduw, wat doen bewoners al, en wat is er nodig om hun huis koel te houden? ‘Kwalitatieve data is net zo belangrijk als kwantitatieve meetgegevens,’ zegt hij. ‘De combinatie van die twee geeft pas echt inzicht. Hoeveel wateroverlast vinden we toelaatbaar als er in een keer 70 millimeter regen valt? Dat soort vragen kunnen we alleen beantwoorden als we meten, monitoren én luisteren naar mensen.’

Samen met collega Jeroen Schoonderbeek werkt hij aan meetapparatuur, toegesneden op de onderzoeksvragen die het lectoraat bestudeert. Want de impact van klimaatverandering meten is maatschappelijk zeer relevant. Föllmi: ‘Uiteindelijk draait het allemaal om één ding: bijdragen aan een stad waar we prettig wonen, en verblijven, ook al verandert het klimaat. 

Lectoraat Klimaatbestendige Stad Het lectoraat Klimaatbestendige Stad van de HvA onderzoekt hoe steden zo kunnen worden ingericht dat mensen er ook in de toekomst prettig kunnen wonen, ondernemen en verblijven. De focus ligt daarbij op hitte, droogte, water en biodiversiteit. 

Lees meer