De docent die zichtbaar van zijn vak geniet
Nieuws
De weg naar het leraarschap gaat niet altijd in een rechte lijn. Jos Calis werd stap voor stap leraar. In gesprekken met (oud-)studenten wordt hij vaak als favoriet genoemd en is – zo blijkt meteen – ook een geliefde collega. Hij is inmiddels met pensioen, maar op de derde verdieping van het Kohnstammhuis is de verrassing groot als hij voor dit interview weer verschijnt. Collega’s stoppen om hem te begroeten. Wat maakt deze man zo populair bij de Pabo?
We gaan zitten in het hart van de opleiding (een ruimte met zitjes op de pabo-verdieping). Het is rustig: de studenten zijn op stage. Toch waarschuwt hij: “Straks lukt een doorlopend gesprek niet, iedereen wil altijd even kletsen.” Hij straalt erbij. Een jaar geleden nam hij afscheid als docent Nederlands bij de Pabo HvA. De band is gebleven.
Honger naar kennis
Na de middelbare school gaat Jos naar de Pedagogische Academie (PA) in Hilversum, destijds een havo-opleiding met een lerarenopleiding eraan vast. Daarna wordt hij onderwijzer in het basisonderwijs. Het is eind jaren zeventig en banen zijn schaars. “Veel klasgenoten moesten eerst in militaire dienst en hadden daarna pech op de arbeidsmarkt,” vertelt hij. Zelf heeft hij geluk: hij krijgt een aanstelling voor een half jaar, die steeds wordt verlengd. Uiteindelijk blijft hij dertien jaar op dezelfde school in Soest, dichtbij ‘t Gooi, de regio waarin hij is opgegroeid.
Al in zijn eerste jaar voor de klas merkt hij een enorme honger naar kennis. “Ik probeerde van alles, maar kwam toch uit bij waar ik eigenlijk mijn hele leven al mee bezig was: literatuur.” Dat leidt bijna vanzelf naar een talenstudie. In 1986 begint hij in deeltijd aan een studie Nederlands aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Halverwege raakt hij zijn baan grotendeels kwijt en daarom besluit hij vol voor de studie te gaan. In 1992 rondt hij zijn studie af en zoekt een nieuwe richting.
Inburgering: schakel tussen taal en samenleving
“Ik wist inmiddels dat ik heel graag met volwassenen wilde werken,” zegt hij. Tijdens zijn studie had hij al enkele kortlopende cursussen gegeven bij de Volksuniversiteit in Amsterdam en dat smaakte naar meer. Het is de tijd waarin tal van initiatieven ontstaan voor taalonderwijs aan inburgeraars en nieuwkomers. Jos komt terecht bij de Amsterdamse School voor Volwassenen, later opgegaan in het ROC van Amsterdam. “Daar heb ik een jaar of vijftien gewerkt – enorm leuk en dankbaar werk.”
Voor veel inburgeringscursisten is hij hun eerste echte, inhoudelijke contact met Nederland. “Zeker in de jaren ’90 leefden Marokkaanse en Turkse nieuwkomers vaak op een eiland, met weinig direct contact buiten de eigen gemeenschap. In de lesruimte kwamen hun wereld en de Nederlandse maatschappij samen. Ik werd een soort schakel tussen de taal en de samenleving. Die positie vond ik heel waardevol. Met veel plezier kijk ik daarop terug.”
Als hij zijn eerstegraads lesbevoegdheid heeft, gaat hij in Almere aan de slag, opnieuw deels in het taalonderwijs voor inburgeraars en daarnaast als leraar Nederlands in het volwassenenonderwijs. En dat bevalt hem uitstekend. Maar dan treedt in 2003 Rita Verdonk als Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie aan. “Met haar beleid werd in korte tijd bijna alles wat aan inburgeringsonderwijs bestond afgebroken. Ineens moest ik op zoek naar ander werk. Logisch genoeg kwam ik weer uit bij het basisonderwijs – daar ligt mijn hart, als ik echt moet kiezen.”
Niet snel tevreden
Hij kijkt heel positief terug op zijn tijd bij de Pabo HvA. Vooral studenten tijdens hun stage bezoeken, deed hij graag. “Juist daar zie je waar je het allemaal voor doet: hoe studenten zich in de praktijk ontwikkelen als leraar. Ik wilde dat graag met eigen ogen zien. Misschien was ik ook niet zo snel tevreden, dus ik kwam nog weleens terug om te kijken hoe ze verder gegroeid waren.” In de loop van de jaren wordt het aantal stagebezoeken afgebouwd. Tot zijn spijt.
Eindeloos reflecteren is niet nodig
Ook in het lesgeven heeft hij veel plezier; vooral met deeltijdstudenten en zij-instromers. “Mensen die op latere leeftijd, net als ik ooit, bewust kiezen voor een nieuwe richting: dat zijn vaak bijzonder gemotiveerde, leergierige studenten. Die populatie sprak me enorm aan. Dat is echt anders dan een voltijdsgroep die ‘gewoon’ na de middelbare school doorstroomt.”
Hij ziet in die jaren nog iets anders: een opleiding die erg leunt op schrijven. “Lange verslagen, eindeloos reflecteren, stapels documentatie – dat was in het begin enorm dominant.” Zijn alternatief: minder papier, meer echte gesprekken. “Ik geloof in een paar grondige evaluatie- en reflectiemomenten: na het eerste jaar, rond het moment dat je LiO wordt, en aan het eind. Dan voer je een serieus gesprek over wie je bent als leraar, hoe je ervoor staat en wat er nog nodig is. Dat is veel betekenisvoller dan nóg een reflectieverslag.”
Kinderboeken als goudmijn
Hij laat studenten zien dat je in bijna elke les iets met een kinderboek kunt doen. Op de basisschool las hij zelf dagelijks voor, niet alleen als tussendoortje maar als stevig onderdeel van zijn onderwijs. Op de pabo trekt hij die lijn door. “Kinderboeken zijn een goudmijn,” zegt hij. “Je kunt er lessen mee verlevendigen, nieuwe thema’s mee introduceren, werken aan woordenschat en tekstbegrip. In kinderboeken zit zó veel bruikbaar materiaal.”
In de vaksectie wordt afgesproken dat in elke les tien minuten worden gereserveerd voor kinderboekpromotie. “Bij mij liep dat vaak wat uit,” zegt hij lachend. Hij stelt auteurs voor, van klassiek tot modern, fictie én non-fictie, en probeert over te brengen hoeveel rijkdom in die boeken schuilt. Zijn afscheidsles voor collega’s wijdt hij aan kinderpoëzie in de midden- en bovenbouw; een onderwerp dat zijn liefde voor taal en onderwijs prachtig samenbrengt.
Studenten die op latere leeftijd, net als ik ooit, bewust kiezen voor een nieuwe richting: dat zijn vaak bijzonder gemotiveerde, leergierige studenten. Die populatie sprak me enorm aan.

Jos Calis
oud-docent Pabo HvA
Een leven lang lezen
Die liefde voor literatuur ontstaat op de middelbare school. Jos krijgt Nederlands van een docent die zelf schrijver en dichter is: R.A. Basart. “Hij had nog niet veel gepubliceerd, maar in de literaire wereld werd zijn werk zeer gewaardeerd.” De zin van Basart die blijft hangen: “Als er aan het eind van het jaar drie leerlingen zijn die blijven lezen, beschouw ik mijn lessen als geslaagd.” Jos is één van de drie. “Die combinatie van bescheidenheid en bevlogenheid maakte diepe indruk. Vanaf dat moment ben ik blijven lezen.”
Als hij later zelf een dochter krijgt, wordt voorlezen een dagelijks ritueel. Tijdens zijn jaren in het inburgeringsonderwijs staat het kinderboek even op een lager pitje, maar zodra hij op de pabo begint, is het meteen weer terug. “Kindergedichten, verhalen, praten over taal – dat verveelt me nooit,” zegt hij. “Ik volg nieuwe kinderboeken nog steeds op de voet.”
Als hij één favoriete schrijver moet noemen, is dat Ted van Lieshout. Vooral diens poëzie ligt hem na aan het hart. Een van zijn dierbaarste herinneringen: bij zijn allerlaatste les heeft een eerstejaarsdeeltijdklas stiekem Ted van Lieshout uitgenodigd. De schrijver, die in Amsterdam woont, kwam gewoon binnenwandelen. “Hij las een aantal gedichten, deelde nieuw werk en vroeg er niets voor terug. Dat hij de moeite nam om voor mij, voor één klas, langs te komen, gewoon omdat zijn werk zo gewaardeerd werd – dat vond ik heel bijzonder.”
Zorgen om Amsterdam
Als het gesprek verschuift naar het Amsterdamse onderwijs, wordt zijn toon serieuzer. Wat hem het meest zorgen baart, is de combinatie van een groot lerarentekort en veel onbevoegden voor de klas. “Dat raakt juist de kinderen die het al het moeilijkst hebben,” zegt hij. Leerlingen die thuis weinig Nederlands horen of moeite hebben met leren, zouden juist méér tijd en ondersteuning moeten krijgen, niet minder.
Hij ziet ook de ongelijkheid tussen wijken. In ‘betere’ buurten lukt het vaak nog wel om voldoende leerkrachten te vinden; in probleemwijken veel minder. Juist daar ligt zijn belangstelling. Hij spreekt over kinderen uit taalarme of laaggeletterde gezinnen, voor wie onderwijs een kans is om verder te komen dan hun omgeving ooit voor mogelijk hield. “Ik heb studenten altijd gezegd: je ziet aan iemand niet of diens ouders kunnen lezen en schrijven, maar hun kinderen zitten wél in jouw klas. Dat besef hoort bij je professionele verantwoordelijkheid.”
Wat hij de pabo toewenst
Voor de komende vijftien jaar heeft hij een duidelijke wens: een levendige pabo met veel studenten – voltijd, deeltijd, zijinstroom. Ook voor pabo-ALO en UPvA. Daarnaast gunt hij de opleiding twee dingen: docenten die geïnspireerd blijven en een overheid die daarvoor ruimte biedt, in plaats van steeds aan de opleiding te morrelen. Het valt hem op dat docenten en studenten elkaar minder zien en spreken dan in zijn eigen opleidingstijd. Het programma is minder intensief en de binding met de opleiding kleiner. “Veel voltijdstudenten lijken de pabo vooral te zien als een noodzakelijk kwaad: vier jaar uitzitten en dan pas echt het vak leren in de praktijk. Terwijl de opleiding zelf wezenlijk is: dáár word je voorbereid op het beroep.”
De rust na de laatste les
Nu hij ongeveer een jaar met pensioen is, begint het leven zich in een ander tempo te ontvouwen. “De eerste weken voelde het als vakantie – maar dan één die niet meer ophoudt,” zegt hij lachend. Hij mist zijn collega’s en de dagelijkse gezelligheid op de gang, maar het correctiewerk mist hij bepaald niet. Afspreken met oud-collega’s doet hij graag, en lezen – natuurlijk – blijft hij doen.
Misschien is dat wel de kern van zijn populariteit: een docent die zichtbaar geniet van zijn vak, die hoge verwachtingen combineert met mildheid, en die nooit moe wordt om studenten – en kinderen – via verhalen te laten nadenken over de wereld.
Pabo HvA bestaat 150 jaar!
Met het thema 'Ieder kind verdient een goede leerkracht' viert Pabo HvA dit jubileum met verschillende activiteiten in oktober. Omdat (voor)lezen en leren lezen zo belangrijk is in de schoolloopbaan van een kind organiseren we een voorleesmoment tijdens de Kinderboekenweek op dinsdag 6 oktober. Een feestelijke reünie voor oud-studenten en oud-collega's staat gepland op 22 oktober.