10 lessen uit 6 jaar bouwen aan de stad van morgen
Nieuws
Kan een stadswijk meer energie opwekken dan ze verbruikt? Die vraag stond centraal in het internationale onderzoeksproject ATELIER. Onderzoekers van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) werkten hierin zes jaar lang samen met 29 partners uit elf landen. ‘We weten nu wat ervoor nodig is om energiepositieve wijken te ontwikkelen,’ zeggen projectleider Omar Shafqat en lector Energie en Innovatie Renée Heller.
Onderzoekers, gemeenten, bedrijven en kennisinstellingen uit heel Europa begonnen in 2019 een ambitieus onderzoek: positieve energiewijken bouwen die meer duurzame energie opwekken dan ze verbruiken. Amsterdam en Bilbao werden de proeftuinen, zes andere steden keken mee. In april 2026 werd het project afgerond, na een verlenging van anderhalf jaar vanwege covid, de energiecrisis en vertragingen in de bouw. De opbrengst is indrukwekkend: een uniek energiesysteem in Amsterdam, een toonaangevend warmtenet in Bilbao, zes steden met een Europees klimaatlabel, en een schat aan kennis voor de volgende generatie energiepositieve wijken.
De tien belangrijkste inzichten op een rij:
1. Een positieve energiewijk is geen einddoel, maar een kompas
Bereikte de Amsterdamse wijk Buiksloterham een volledige energiepositieve balans, zoals gehoopt bij aanvang van het project? Het eerlijke antwoord is: nee. ‘Het opzetten van het waste-recovery station liep bijvoorbeeld vertraging op door technische problemen en beperkte lokale middelen, en veranderingen in de markt en netcongestie maakten het lastig om een solide businesscase voor batterijopslag te bouwen,’ illustreert Shafqat. Uitbreiding met extra hernieuwbare energiebronnen vroeg bleek lastig, onder meer vanwege lange vergunningsprocedures.
Maar er lukt ook veel wel. Want er ontstond een unieke energiegemeenschap met een gezamenlijke batterij, warmtepompen, zonnepanelen en een slim energiemanagementsysteem, allemaal verbonden via één netaansluiting.
‘We zijn gaan inzien dat een energiepositieve wijk niet zozeer een eindpunt is, maar een richting die je op gaat. Je probeert van alles uit, behoudt wat werkt en laat los wat niet werkt. Zo kom je steeds verder. Dat alleen al is buitengewoon waardevol voor de energietransitie’, aldus Heller. Een energiepositieve wijk werkt het best als een strategisch transitiekader, gericht op het versnellen van CO2-reductie, het blootleggen van structurele belemmeringen en het versterken van de gemeentelijke uitvoeringskracht, zo benadrukken de onderzoekers in hun eindevaluatie.
2. Veel meer dan technische innovatie alleen
De pilot in Amsterdam opereerde tegelijkertijd op drie energiemarkten - ook wel value stacking genoemd - en dat biedt een veelbelovende basis voor een businessmodel. ‘We hadden warmtepompen, warmte- en koudeopslag in de bodem, zonnepanelen, een batterij en een slim energiemanagementsysteem dat deze energiebronnen aanstuurde’, legt Shafqat uit. De technologie bleek uiteindelijk het minste complexe onderdeel in het geheel. ‘Er waren ook innovaties nodig in regelgeving, governance, businessmodellen en financiering. Zonder die vier lukt het niet om op te schalen.’
3. Regelgeving loopt te ver achter
In Amsterdam duurde het verkrijgen van de vereiste goedkeuring voor gebruik op de energiemarkt van de benodigde batterij voor de markt aanzienlijk langer dan verwacht. En in Bilbao ontbrak lange tijd een helder wettelijk kader voor warmtenetten. Regelgeving ontwikkelt zich langzaam, terwijl projecten een veel kortere tijdlijn hebben', zegt Heller. 'Dat spanningsveld was voelbaar door het hele project heen. Wil je innoveren, dan moet de regelgeving meebewegen, benadrukt Heller. ‘In Amsterdam ondervingen we het probleem deels door de experimenteerregeling voor Republica.'
Dit betekent dat netbeheerders, toezichthouders en andere netwerkpartijen het beste al bij de start in het proces betrokken worden, niet pas als de technologie er al staat. ‘Creëer ruimte voor experimenten en verwerk inzichten uit onderzoek direct in beleid; via een project als ATELIER toets je wat er technisch en organisatorisch mogelijk is. Juist de wrijving met bestaande regelgeving laat zien waar mogelijkheden liggen voor aanscherping van beleid,’ aldus Heller.
4. Netcongestie is de nieuwe realiteit
Waar het project aanvankelijk draaide om energiepositief worden, verschoof de nadruk gaandeweg naar een ander urgent probleem: de overbelasting van het elektriciteitsnet. De batterij in Buiksloterham werd ingezet om de wijk binnen de netcapaciteit te houden en tegelijkertijd diensten aan het net te leveren. ‘Ons stroomnet raakt vol, maar wij hebben nu concrete ervaring opgedaan met oplossingen die werken’, zegt Shafqat. De batterij lijkt inmiddels winstgevend te gaan draaien: sinds september 2025 overtreffen de inkomsten de transportkosten ruimschoots. ‘De batterij verdient tegelijk via drie markten, value-stacking heet dat,’ legt Shafqat uit. Via FCR (Frequency Containment Reserve) helpt de batterij het Europese elektriciteitsnet stabiel houden en ontvangt daar een vergoeding voor. Hij springt ook bij wanneer er meer of minder stroom op het net zit dan gepland. En via de day-ahead markt koopt de batterij stroom in op momenten dat die goedkoop is en verkoopt die weer wanneer de prijs hoog is.’
Binnen Atelier lieten de demoprojecten Republica en Poppies zien hoe batterijopslag, energiebeheersystemen, verwarming op lage temperatuur en elektrisch vervoer bij netcongestie met elkaar kunnen samenwerken.
5. Bewoners willen vooral een lage energierekening
Het project had hoge ambities voor burgerparticipatie, met bewoners als actieve, betrokken energieleveranciers in een lokale energiegemeenschap. De werkelijkheid was genuanceerder. De mensen die in Buiksloterham kwamen wonen, kozen primair voor de woning, niet voor het energieconcept. ‘Er is een groot verschil tussen een bottom-up coöperatie die mensen zelf opbouwen, en een systeem waarin mensen in terechtkomen omdat ze daar toevallig een huis kopen of huren’, zegt Heller. ‘Je moet dus niet te veel van ze verwachten.’ Wat bewoners overigens wél sterk motiveerde was een lage energierekening, zeker tijdens de energiecrisis van 2022.
6. Professioneel beheer is de sleutel tot schaalgrootte
Voor de energiegemeenschap in Buiksloterham werd een governance-structuur ontwikkeld met zeven categorieën stemrecht. Dit om te voorkomen dat één partij de dienst uitmaakte. Deze structuur maakte actieve deelname voor individuele bewoners wel complex. ‘De administratieve last die erbij komt kijken kan eigenlijk alleen door professionals worden gedragen’, zegt Shafqat. De les die hieruit te trekken is: energiegemeenschappen zijn het krachtigst als de operatie professioneel wordt georganiseerd, met gemeenschappelijke financiële belangen als bindmiddel.
7. De overheid: een cruciale langetermijnpartner
Terwijl Amsterdam experimenteerde met elektriciteitsmarktflexibiliteit, bouwde Bilbao in de wijk Zorrotzaurre aan een warmte- en koelnetwerk op basis van geothermische energie. De businesscase is gebaseerd op energieprestatiecontracten. Gebouwen werden gerenoveerd en voorzien van warmte- en koelnetwerken. Zowel projectpartners als gebouweigenaren profiteerden van de reductie in energiekosten die hiermee gepaard ging.’ De gemeente is in het traject betrokken als langetermijnpartner, wat het model robuuster maakt dan marktafhankelijke alternatieven. De aanpak in Bilbao geldt nu als een van de meest overdraagbare resultaten van het hele project. ‘Dit leert ons dat de overheid als langetermijnpartner vaak nodig is in een markt waarin prijzen snel en onvoorspelbaar schommelen,’ zegt Heller. ‘Deze betrokkenheid maakt het ook gemakkelijker om initiatieven goedkoper te kunnen financieren, bijvoorbeeld met garantstellingen.’
8. Partnersteden leerden meer dan verwacht
De zes partnersteden, van Bratislava tot Matosinhos, gebruikten het project om hun eigen slagkracht te versterken, elk op eigen wijze. Zo richtte Bratislava op basis van de opgedane kennis een volledig nieuw klimaatdepartement op. Budapest integreerde de PED-methodologie in zijn ruimtelijke planningsprocedures en stapte direct in een Europees vervolgproject. Riga doet via het ATELIER-netwerk mee in zes andere Europese projecten die voortbouwen op de ATELIER-aanpak en methodologie. Matosinhos trok eigen gemeentelijke financiering aan om de in het project opgezette samenwerkingsplatforms op wijkniveau (Innovation ATELIERs) na afloop voort te zetten. Zes van de acht steden hebben inmiddels het Europese label Climate neutral cities gekregen. De waarde van de samenwerking met partnersteden zat niet zozeer in het overnemen van technische oplossingen, maar vooral in de capaciteitsopbouw, netwerkvorming en institutionele paraatheid die ze bij partnersteden teweegbracht.
9. Een hogeschool vervult een eigen rol in zo’n consortium
In een consortium van 30 partijen vereist samenwerking bewuste keuzes over wie wat doet. De HvA was betrokken bij monitoring, de replicatiestrategie en de Innovation ATELIERs: platforms waar gemeente, industrie en onderzoekers samen knelpunten onderweg naar een energiepositieve wijk bespreken. ‘Een hogeschool kan een neutralere positie innemen dan een bedrijf of gemeente’, zegt Heller. ‘Dat maakt het mogelijk om kennis te vertalen naar een breed werkveld en bruggen te bouwen.’ Ook binnen de HvA moesten mensen met verschillende technische, sociale en economische achtergronden voor dit project een gemeenschappelijke taal ontwikkelen. Het leverde waardevolle opbrengsten op voor het onderwijs: een interdisciplinaire minor over positieve energiewijken en een MOOC met drie cursussen voor studenten én professionals. Het lesmateriaal is vrij toegankelijk via pedlearning.eu, en de wijk Buiksloterham heeft gewerkt als een ‘levend leerlab’ voor studenten.
10. Eerlijk zijn over wat niet werkt. Dat werkt
Het projectteam communiceerde open over de uitdagingen waar het onderweg naar een energiepositieve wijk tegen aanliep: de batterij die niet in werking gesteld kon worden, procesinnovaties die werden stopgezet, en energiegemeenschappen die op belemmerende regelgeving stuitten. Die eerlijkheid bewijst zijn waarde, benadrukt Shafqat: ‘Onze benchmarks en inzichten werken door in het Europese en nationale beleid.’ In Buiksloterham staan de zonnepanelen, de warmtepompen en de batterij als tastbaar bewijs van wat kan. En in steden door heel Europa, van Bratislava tot Bilbao, zijn mensen en instituties beter toegerust dan ooit om een vervolg te geven aan wat er in ATELIER ontwikkeld is. Zo werkt het projectteam van de HvA inmiddels, samen met de gemeente Amstelveen aan een vervolgproject rond positive energy districts.
Het project ATELIER werd geleid vanuit het lectoraat Energie en Innovatie van de HvA. Bij het project waren drie andere onderzoeksgroepen verbonden aan de HvA betrokken: City Net Zero, Centre of Expertise Urban Governance and Social Innovation en het Centre for Economic Transformation. Onderzoekers van de HvA werkten in het project samen met de gemeenten Amsterdam en Bilbao en 27 andere partners uit elf landen. Het project ontving financiering van het Europese Horizon 2020-programma. Meer informatie: smartcity-atelier.eu