Logo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpaginaLogo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpagina

Waar blijft loopbaanontwikkeling in de Staat van het Onderwijs?

Nieuws
daphne_wiersema_profielfoto.jpg

De Staat van het Onderwijs windt er geen doekjes om: de kwaliteit staat onder druk, basisvaardigheden moeten verbeteren en scholen hebben moeite om onderwijs structureel te verbeteren. Taal, rekenen en kwaliteitszorg krijgen - terecht - veel aandacht. Ook kansengelijkheid wordt nadrukkelijk geagendeerd, onder meer via regionale verschillen, ongelijke resultaten en achterstanden in basisvaardigheden. Maar onder al die cijfers en analyses ligt volgens associate lector Daphne Wiersema een vraag die nauwelijks wordt gesteld: waartoe leiden we leerlingen eigenlijk op?

Die vraag stellen leerlingen ook wanneer zij - aldus het rapport - niet goed begrijpen wat de relevantie is van wat zij leren. Maar juist dat snijvlak van leren, motivatie en toekomst - het domein van loopbaanontwikkeling en -begeleiding (LOB) - blijft in het rapport onbenoemd. 

Leerlingen toerusten voor een onvoorspelbare wereld

Waar bij LOB vroeger vooral de eenmalige studiekeuze centraal stond, gaat het vandaag om iets anders: leerlingen toerusten om in een onvoorspelbare wereld telkens opnieuw richting te geven aan hun leven en loopbaan. Kernvragen zijn: wat kan ik, wat vind ik belangrijk en interessant, welke mogelijkheden zijn er en welke stappen kan ik zetten? Het perspectief is daarmee verschoven van kiezen naar leren kiezen.

Binnen zo’n ontwikkelingsgericht perspectief schieten losse activiteiten zoals een studiekeuzetest, een voorlichtingsavond of een eenmalig adviesgesprek tekort. LOB vraagt om een doorlopende, dialogische leerlijn die merkbaar is in de dagelijkse onderwijspraktijk. Leerlingen doen ervaringen op in vaklessen, projecten, stages en ontmoetingen met vervolgonderwijs en werkveld, en verbinden die aan zichzelf en hun toekomst in gesprek met onder andere docenten en ouders. LOB is dan geen apart programma of ‘van de decaan’, maar loopt als een rode draad door het hele onderwijsprogramma en wordt gedragen door het hele team. 

Door LOB structureel en voor álle leerlingen vorm te geven, verkleinen scholen de rol van toeval en thuisfront in de vraag wie welke mogelijkheden ziet en benut.
daphne_wiersema_profielfoto.jpg

Daphne Wiersema

Associate lector Studentbegeleiding in het hbo

Meer over het onderzoek van Daphne

Zo’n geïntegreerde aanpak van LOB helpt leerlingen begrijpen waartoe zij leren. Dit draagt bij aan motivatie en betrokkenheid bij school en versterkt de relatie tussen leerlingen en docenten. Het helpt leerlingen om dat wat ze leren niet alleen als “moeten” te zien, maar ook als middel om doelen te bereiken die voor hén betekenisvol zijn. Bovendien draagt het bij aan duurzamere loopbaankeuzes en voorkomt zo uitval en switch in vervolgonderwijs. Tenslotte raakt LOB ook direct aan kansengelijkheid, iets waar de inspectie juist veel zorgen over heeft. Door LOB structureel en voor álle leerlingen vorm te geven, verkleinen scholen de rol van toeval en thuisfront in de vraag wie welke mogelijkheden ziet en benut.

LOB slechts impliciet in Staat van het Onderwijs

In de Staat van het Onderwijs heeft burgerschap als basisvaardigheid een duidelijke en zichtbare plek. LOB blijft in de rapportage grotendeels impliciet, terwijl het inhoudelijk dicht in de buurt komt. Beide domeinen raken aan dezelfde kern: de vraag hoe leerlingen zich verhouden tot de wereld om hen heen. Het verschil zit vooral in de focus. Burgerschap richt zich op de maatschappelijke dimensie, de rol van jongeren als burger in een democratische rechtsstaat, terwijl LOB zich richt op de persoonlijke en toekomstgerichte dimensie. Wie ben ik, wat kan ik, wat vind ik belangrijk en welke richting wil ik op met leren en werken. Waar burgerschap leerlingen helpt hun plek te vinden in de samenleving, helpt LOB hen hun plek te vinden in hun eigen levensloopbaan.

Ook in de onderwijspraktijk lopen burgerschap en LOB parallel. In veel scholen bestaan beide uit losse onderdelen en activiteiten. De Inspectie concludeert dat burgerschapsonderwijs daardoor vaak nog onvoldoende doelgericht en samenhangend is; voor LOB geldt in de praktijk iets vergelijkbaars. Leerlingen ervaren LOB zelden als één leerlijn, maar vaak als ‘een gesprek met je mentor’. Zo blijven burgerschap én LOB inhoudelijk belangrijk, maar didactisch en organisatorisch gefragmenteerd. Kansen om leerlingen te ondersteunen in hun loopbaanontwikkeling blijven daardoor onbenut. Bij burgerschap is die fragmentatie inmiddels nadrukkelijk onderwerp van analyse en beleid; bij LOB blijft dit grotendeels onbenoemd.

Juist daarom ligt het voor de hand om LOB in het kwaliteitsdebat een vergelijkbare status te geven als burgerschap: niet als extra programma naast “de basis”, maar als integraal perspectief op het waartoe van onderwijs. Dat maakt het des te zorgelijker dat het landelijke Expertisepunt LOB over ongeveer een jaar verdwijnt, omdat daarmee een belangrijk ankerpunt wegvalt. Het risico is reëel dat LOB daarmee nog onzichtbaarder wordt, terwijl het in feite midden in de kernopdracht van het onderwijs staat: leerlingen toerusten voor hun toekomst.