Logo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpaginaLogo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpagina

De Staat van het Onderwijs - Wat leraren van de samenleving mogen verwachten

Nieuws
marco-snoek.jpg

Op 15 april 2026 presenteerde de Inspectie van het Onderwijs de Staat van het Onderwijs, het jaarlijkse verslag waarin de Inspectie beschrijft hoe het er voor staat met het Nederlandse onderwijs. Dit jaarlijkse verslag is vaak aanleiding om de vraag te stellen wat leraren te doen hebben. Marco Snoek, lector Leren en Innoveren van de Hogeschool van Amsterdam, vraagt zich echter af of dit de juiste vraag is.

Net als afgelopen jaren is er dit jaar weer veel aandacht voor de leerprestaties van leerlingen. Die prestaties zijn immers bepalend voor de doorstroom- en baankansen van jongeren. Zorgen rond de leerprestaties leiden steevast tot een oproep aan scholen en met name aan leraren om leerresultaten te verhogen. Bijvoorbeeld door kennis uit onderzoek dat laat zien welke aanpakken effectief bijdragen aan betere taal- of rekenvaardigheden in hun onderwijs te implementeren.

Die oproep is logisch, omdat leraren bij uitstek de sleutel zijn als het gaat om leerprestaties van leerlingen. Gevolg is dat we hoge verwachtingen hebben van leraren, en van de schoolleiders en bestuurders die hen aansturen.

Trage tijd voor betere leerprestaties

Voldoen aan die hoge verwachtingen vraagt nogal wat van leraren: voortdurende professionalisering om op de hoogte te blijven van nieuwe inzichten en die vertalen naar de specifieke situatie van de school en de leerlingen die daar leren, het aanpassen van routines, en het evalueren of die nieuwe routines leiden tot betere leerresultaten. 

Maar dat proces vraagt trage tijd: tijd om stil te staan, te reflecteren, te verdiepen, te overleggen met collega’s. En daar knelt het. Want leraren hebben nauwelijks de tijd om te vertragen. Een leraar in het basisonderwijs gaat om 08:00 uur ‘aan’ en is vervolgens tot ongeveer 15:00 uur met leerlingen in de weer. Dat is 7 uur waarin geen tijd is om te vertragen en de kans is groot dat leraren nauwelijks een collega zien om rustig mee te sparren. Na die 7 uur ligt er nog werk, zoals met ouders overleggen, leerlingenwerk nakijken, het onderwijs voor de volgende dag voorbereiden of de administratie bijhouden. Trage tijd moet dan vooral in de avonden en weekenden worden gevonden, als er geen collega is om mee te overleggen.

In deze dagelijkse hectiek is er nauwelijks tijd om je als leraar te verdiepen in de uitkomsten van onderzoek en om nieuwe aanpakken in het dagelijks werk te integreren. En als het leraren dan niet lukt om tot betere leerprestaties bij hun leerlingen te komen, ontstaat het risico dat we leraren niet zien als oplossers van tegenvallende leerresultaten, maar de oorzaak daarvan.

Daarom is de belangrijkste vraag die we naar aanleiding van De Staat van het Onderwijs moeten stellen niet ‘Wat mogen we van leraren verwachten?’, maar ‘Wat mogen leraren van hun omgeving (de school en de samenleving) verwachten?’ om daadwerkelijk in staat te zijn om die leerresultaten te verbeteren. 

De opdracht om tot betere leerprestaties te komen, is dus een opdracht voor de hele samenleving en niet alleen de school en de leraar
marco-snoek.jpg

Marco Snoek

Lector Leren en Innoveren

Lees meer over het onderzoek van Marco

Een van de belangrijkste condities is trage tijd, tijd om stil te staan, om kennis te nemen van nieuwe aanpakken, om met collega’s te overleggen en samen de beste lessen te ontwerpen. Dat maakt het gesprek over onderwijstijd en de verhouding tussen lesuitvoering en lesontwikkeling van cruciaal belang. 

Opdracht voor de samenleving


Dat we niet alleen leraren verantwoordelijk mogen houden voor tegenvallende leerresultaten blijkt ook uit de Amsterdamse versie van de Staat (De Staat van het Amsterdamse Funderend Onderwijs 2026 (opent in nieuw venster)). Dit rapport laat zien dat leerprestaties niet alleen samenhangen met het niveau van leerlingen, maar ook met de achtergrond van ouders en de wijk waarin ze opgroeien. Dat maakt leerprestaties dus niet tot een resultaat van wat leraren bewerkstelligen, maar een weerspiegeling van de samenleving en hoe die is ingericht in kansrijk en kansarm. 

Daarmee is De Staat van het Onderwijs dus ook een ‘Staat van de Samenleving’: het laat zien hoe ongelijk onze samenleving is ingericht, hoe mensen buitengesloten worden en hoe dat doorwerkt in het onderwijs. De opdracht om tot betere leerprestaties te komen, is dus een opdracht voor de hele samenleving en niet alleen de school en de leraar. Als we als samenleving die ongelijkheid laten voortbestaan is het voor leraren dweilen met de kraan open. En voor dat dweilwerk verdienen ze ons respect!