Logo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpaginaLogo Hogeschool van Amsterdam - Link naar startpagina

De staat van het burgerschapsonderwijs?

Nieuws
Hessel Nieuwelink | Lector Burgerschapsonderwijs

Woensdag werd de Staat van het onderwijs gepresenteerd. Voor burgerschapsonderwijs zijn de conclusies van de inspectie inmiddels te voorspellen: te weinig samenhangende aanpakken, te beperkte monitoring, veel herstelopdrachten. Hoewel er zeker stappen te zetten zijn rondom het burgerschapsonderwijs in Nederland, roept het rapport ook vragen op.

Doelgerichtheid  

De Inspectie van het Onderwijs constateert dat het burgerschapsonderwijs onvoldoende doelgericht is. Al jaren geeft zij aan dat het burgerschapsonderwijs op veel scholen onsamenhangend is. Er mist coherentie in de aanpak. Leraren en schoolleiders zien ook niet altijd in welk onderwijsaanbod burgerschapsonderdelen zitten. Zij vinden dat hun onderwijs verder ontwikkeld moet worden. Dat vindt de inspectie ook nodig. Scholen moeten in hun ogen namelijk “hun curriculum […] actualiseren en kritisch onder de loep te nemen en daarmee het niveau van de basisvaardigheden verder […] verhogen.”

Hoewel het herkenbaar is dat het burgerschapscurriculum versterkt kan worden, valt er op de constateringen van de inspectie wel het een en ander af te dingen.  

Ten eerste, wat verstaat de inspectie onder burgerschapsonderwijs? In het rapport wordt dat niet duidelijk. De burgerschapswet richt zich nadrukkelijk op de schoolcultuur en de school als oefenplaats voor burgerschap, terwijl in dit rapport vooral wordt verwezen naar het curriculum en de kerndoelen. Beiden zijn belangrijk maar wel verschillende onderdelen van de school. Als school zou ik helderheid willen hebben over waar de inspectie mij op aanspreekt.  

Ten tweede, de inspectie verwacht voor burgerschap veel van de curriculumherziening door de vernieuwing van de kerndoelen. Maar over welke kerndoelen heeft de inspectie het nu precies? Zijn dit alleen de kerndoelen van het leergebied Burgerschap? Ik mag toch hopen van niet. Want de kennis, vaardigheden en ervaringen die leerlingen moeten opdoen, komen ook bij andere leergebieden aan bod. 

Ten derde, inzetten op curriculumactualisatie moet leiden tot verhogen van de basisvaardigheid burgerschap, volgens de inspectie. Wat bedoelt de inspectie hiermee?  

  • kennis: maar wat voor soort kennis wordt dan bedoeld en welke maat hanteren zij dan?  
  • vaardigheden: we hebben geen systematisch zicht op de burgerschapsvaardigheden van leerlingen. Objectieve maten ontbreken. Er zijn alleen instrumenten die uitgaan van zelfinschatting (“hoe goed ben jij in…”?). Het is de vraag hoe valide die zijn voor het meten van vaardigheden.  
  • houdingen en waarden: hier is niet per definitie een ‘meer’ of ‘beter’. Waarden zijn grotendeels situationeel en contextafhankelijk. Er wordt wel gesproken over basiswaarden maar ook de vrijheid van meningsuiting is niet absoluut, net zo min als individuele autonomie. 

Een toename in de burgerschapscompetenties is dus niet zo eenvoudig vast te stellen als de inspectie beweert.  

Monitoring  

Het monitoren van burgerschapscompetenties van leerlingen is volgens de inspectie een belangrijk instrument van opbrengstgericht burgerschapsonderwijs. In het voortgezet en primair onderwijs gebeurt dat op de helft van de scholen, in het (voortgezet) speciaal onderwijs vaker.  

Dit roept de vraag op wat er in kaart wordt gebracht. Er zijn op dit moment slechts enkele gestandaardiseerde instrumenten voor scholen beschikbaar. Deze kennen ook nog eens flinke beperkingen: zij zijn behoorlijk generiek van aard, brengen vaardigheden via zelfrapportage in kaart en meten houdingen zonder verdere contextualisering. Waardendilemma’s en verschillende morele posities, cruciaal bij burgerschap, zitten niet of amper in de vragenlijsten.  

Een tweede vraag is waarom scholen de competenties in kaart moeten brengen. Als er een ontwikkeling of teruggang in de competenties is, wat weten scholen dan? Het is ondoenlijk om dat te koppelen aan een specifiek aanbod op de school. Daarvoor is een design nodig dat niet zomaar op een school toegepast kan worden. Is het niet zinvoller om voor de monitoring veel meer in te gaan zetten op het in kaart brengen van de kwaliteit van het onderwijs en hoe dat door leerlingen ervaren wordt? Het lijkt mij belangrijk dat de inspectie scholen meer helpt over dergelijke vragen na te denken.  

Ik vrees dat de helft van de scholen een herstelopdracht geven niet bijdraagt aan het versterken van betekenisvol burgerschapsonderwijs
Hessel Nieuwelink | Lector Burgerschapsonderwijs

Hessel Nieuwelink

Lector Burgerschapsonderwijs

Bekijk het onderzoek van Hessel

Door hoepeltjes springen 

Al met al roept het rapport voor mij de vraag op of dit nu de staat van het burgerschapsonderwijs weerspiegelt. Ja, scholen worstelen met burgerschapsonderwijs en de monitoring daarvan. Maar als we eerlijk zijn, is dat ook een weerspiegeling van de staat van de kennis over burgerschapsonderwijs. 

Hoe samenhangende programma’s eruit zien en hoe die gemonitord kunnen worden, is een kennisvraag die ook vanuit wetenschappelijk perspectief nog allesbehalve is beantwoord. Dat de inspectie nu eenduidige programma’s van scholen verlangt, is in dit licht problematisch. 

De helft van de scholen een herstelopdracht geven, is dat evenzeer. Ik vrees dat dit niet bijdraagt aan het versterken van betekenisvol burgerschapsonderwijs, maar scholen vooral door beleidshoepeltjes laat springen. Het zou de inspectie sieren als zij openbaar meer reflecteert op dergelijke onwenselijke consequenties van haar beleid.