De stadsdocent: professional, ervaringsdeskundige en verbinder (4)

Studenten in de wijk voorbereiden op maatschappelijke uitdagingen met passend praktijkonderwijs. Hoe geef je dit vorm? Vijf stadsdocenten vertellen in een nieuwe serie interviews. In deel 4 docent-onderzoeker Ergotherapie Anouk Driessen.
‘Bij mijn vorige werkgever – de HAN – hadden wij wijkdocenten in plaats van stadsdocenten’, start Anouk Driessen. ‘Ik was van de ontwikkeling op de hoogte en hoorde weleens verhalen van studenten. Dat ze aan praktijkvraagstukken werkten met wijkbewoners bijvoorbeeld. Maar wat zo’n wijkdocent deed? Daar had ik weinig beeld bij.’
Communicatie en flexibiliteit
Driessen werkt sinds september 2025 bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA) als Instructeur Onderwijs voor de opleiding Ergotherapie. Het stadsdocentschap is onderdeel van haar takenpakket. Daardoor is ze inmiddels een kleine 3 maanden betrokken bij het Comenius Senior Fellow project De Stadsdocent: de onmisbare intermediair in de wijk van Soemitro Poerbodipoero.
‘Ik ben er blanco ingestapt. Gewoon doen. Dat past bij mij. En precies zo gaan studenten ook aan de slag in een wijk, hè. Je kent niemand en je hebt geen idee van de verwachtingen. Waar je dan start? Allereerst met je aanwezigheid. Er zijn. Kijken wat er gebeurt. Én onderzoeken wie je tegenover je hebt, welke wensen er leven en wat jij daarin kunt bijdragen.
In de praktijk heb je als stadsdocent een andere rol dan de geijkte rol in het klaslokaal. Je geeft niet enkel les vanuit je expertise, maar bent aan het coachen en begeleiden vanuit een gelijkwaardige positie. Bij Stichting Kraktie werd van studenten bijvoorbeeld gevraagd om zo’n 3-4 keer per week aanwezig te zijn. Dat is voor hen niet haalbaar. Ook ik kan niet op iedere locatie aanwezig zijn als stadsdocent, terwijl ik dat graag zou willen. Hoe ga je daarmee om? Ik deel op zo’n moment vanuit ervaring hoe belangrijk het is om verwachtingen naar elkaar uit te spreken en dit te blijven doen gedurende een project. Je moet als stadsdocent dus op verschillende niveaus kunnen communiceren én beschikken over een goede dosis flexibiliteit.’
Kennismaken en samenwerken
Driessen bezoekt een deel van de tweedejaarsstudenten Ergotherapie op locatie. ‘Ik observeer wat ze doen en hoe ze dat doen. Daarna gaan we hier het gesprek over aan. Wat deed je goed? Wat kun je versterken? En welk effect bereik je met je handelen? Daarbij probeer ik altijd de theorie te koppelen aan de praktijk.
Bij Stichting Kraktie kozen studenten er onlangs voor om hun levenslijn te delen met buurtbewoners, aan de hand van jeugdfoto’s. Om elkaar te leren kennen. Naderhand bespraken we de theorie: kennismaken is onder meer delen over jezelf. Vervolgens evalueerden we de ervaringen. Wat levert het je op om je open te stellen? Studenten merkten dat hun openheid ervoor zorgde dat bewoners zich makkelijker lieten zien. En dat leidde weer tot verbinding en kennis over elkaar én de buurt. Heel waardevol overigens om dergelijke gesprekken op locatie te voeren. Doe je dit een week later in een klaslokaal, dan is de urgentie verdwenen.’
Met een andere groep werkte Driessen aan het ontwikkelen van een bredere blik op de maatschappij en de bijdrage die je er als ergotherapeut aan kunt leveren. ‘Deze groep organiseert een digi-café voor bewoners. Mijn studenten zochten naar hun meerwaarde én een passende praktijkvraag. We gingen in gesprek met de organisatie en de buurtbewoners. De vraag die uiteindelijk opkwam, was: Wat zorgt ervoor dat er in bepaalde delen van Amsterdam wél animo is voor een digi-café en in andere niet? Welke factoren zorgen voor succes en hoe kunnen we er ook op andere plekken een succes van maken? Het vroeg leren samenwerken met de diverse partijen is heel belangrijk voor onze studenten. Als professioneel ergotherapeut ben je namelijk vaak de schakel tussen verschillende personen en partijen.’
Continuïteit en aanwezigheid
In haar nieuwe positie als stadsdocent gaat Driessen te werk vanuit haar eigen ervaring en ideeën. ‘Soms neem ik deel aan intervisie. Ook kan ik altijd bij Soemitro terecht met vragen. Binnen de opleiding Ergotherapie is het stadsdocentschap nog niet breed omarmd – ik ben de enige stadsdocent - dus ik kan nog niet terecht bij een collega. Dat mis ik soms. Wel is er de Stadskring van de HvA. Hier komen stadsdocenten van verschillende opleidingen bijeen. Ik leer er bijvoorbeeld dat iedereen het stadsdocentschap op zijn/haar eigen manier invult. We zijn allemaal zoekend.
Mijn grootste uitdaging? Tijd. Goed stadsdocentschap vraagt namelijk om een gedegen relatieopbouw: met organisaties, met studenten, met buurtbewoners. Dat vooronderstelt continuïteit en aanwezigheid. Mijn agenda laat het helaas niet toe dat ik op één terugkerend moment bij een bepaalde organisatie ben, laat staan bij meerdere organisaties. Daarbij krijgen nu niet alle tweedejaarsstudenten begeleiding in de praktijk.
Het zou mooi zijn als we al onze studenten gelijke ontwikkelkansen bieden. Maar daarvoor zijn er meer stadsdocenten nodig binnen onze opleiding. Ik wil dan ook meer bewustwording creëren bij collega’s over de meerwaarde van het stadsdocentschap. Zodat deze manier van leren steeds breder gedragen wordt en we meer en meer gaan werken in de wijk, met mensen en het hele systeem rondom hen. Daarmee kunnen we wijkbewoners gerichter ondersteunen en iedereen een mooie praktijkervaring bieden.’