Hogeschool van Amsterdam

Stage jaar 3

In het derde/vierde studiejaar loopt de student drie of vier dagen in de week stage (dit is afhankelijk van de wens van de organisatie), verdeeld over 2 semesters.

Het is mogelijk om op twee plekken afstudeerstage te lopen. In deze stage ervaart de student, hoe het is om als toegepast psycholoog aan het werk te zijn.
De student ontwikkelt zich als professional terwijl de student zich gaat bezighouden met afstudeeropdrachten. De student voert opdrachten uit op eindniveau die horen bij de 4 competenties.
De student zal meewerken op de werkvloer en daarnaast opdrachten uitvoeren die van meerwaarde zijn voor de organisatie.

INSTAPEISEN VOOR DE STUDENT

De student mag starten met de afstudeerstage als er 100 punten zijn behaald inclucief Propedeuse en daarnaast Professioneel Werken 4 heeft afgerond.

COMPETENTIES

De student ontwikkelt zich op de competenties van Toegepaste Psychologie.

Competentie 1: Beoordelen van gedrag

Het zelfstandig en op methodische wijze informatie verzamelen, en daarmee tot een oordeel komen over gedrag. Het inventariseren, analyseren en interpreteren van gegevens in relatie tot gedragsvraagstukken van individuen en groepen in de samenleving. Het daarbij kunnen toepassen van de volgende methoden: observatie, diagnostische gespreksvoering, psychodiagnostische gespreksvoering, psychodiagnostisch onderzoek en assessment met behulp van gestandaardiseerde en gevalideerde methoden en instrumenten, en dossieronderzoek.

Competentie 2: Beïnvloeden van gedrag

Het op basis van een analyse van een vraag of ontwikkelbehoefte ontwerpen en uitvoeren van, op psychologische kennis gebaseerde, gedragsinterventies en/of advies. Daarbij staat de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de cliënt voorop. Een interventie kan bestaan uit een begeleidings- of coachingstraject, training, voorlichting of geprotocolleerde vorm van behandeling zoals een hulpverleningstraject. Interventies kunnen zowel gericht zijn op preventie als op het verminderen en oplossen van gedragsproblemen, al of niet in de eerste lijn. Preventie kan ook betekenen het bestendigen van al aanwezig gewenst gedrag.

Doelen worden in overleg met opdrachtgevers en/of cliënten geformuleerd. In contact met individuen en groepen, variërend van jong tot oud en variërend naar culturele en sociale achtergrond, worden op methodische en verantwoorde wijze bijdragen geleverd aan ontwikkeling, effectiviteit of welbevinden.

Competentie 3: Praktijkgericht onderzoeken

Het, op basis van een praktijkprobleem/vraagstuk, op systematische en methodologisch verantwoorde wijze kwalitatief en/of kwantitatief onderzoek verrichten: het uitvoeren van een probleemanalyse en op basis daarvan formuleren van een onderzoeksvraag, het maken van een onderzoeksopzet, het doen van literatuuronderzoek, het verzamelen en analyseren van gegevens en op basis daarvan trekken van een conclusie. Vervolgens aanbevelingen doen voor de praktijk. De functie van praktijkgericht onderzoek is de (eigen) beroepspraktijk te verbeteren, innoveren of anderszins te ondersteunen.

Competentie 4: Professioneel werken

Professioneel werken omvat vier generieke competenties, namelijk:

  1. Interdisciplinaire en (inter)nationale samenwerkingsgerichtheid

Het in en buiten de eigen arbeidsorganisatie constructief en respectvol samenwerken met deskundigen van verschillende disciplines en verschillende niveaus, zowel in nationaal als internationaal verband.

  1. Kritische, onderzoekende en (pro-) actieve houding

Het tonen van een (pro-)actieve, leergierige en onderzoekende houding, daarbij wetenschap en specifieke theorieën op hun waarde weten te schatten en niet per definitie alles voor ‘waar’ aannemen. In staat zijn om hypes van evidence-based methoden te onderscheiden. Belangrijk hierbij is het methodisch ontsluiten en toepassen van kennis uit verschillende bronnen voor het uitoefenen en verder ontwikkelen van handelswijzen in de beroepspraktijk.

  1. Reflectief vermogen

Het door spiegeling en zelfontwikkeling reflecteren op het eigen handelen en dit refereren aan waarden en normen en de visie op het beroep. Het op basis hiervan komen tot verbetering van de effectiviteit en/of efficiency van het eigen handelen.

  1. Ethische en sensitieve handelswijze

Het handelen volgens expliciete beroepsspecifieke ethische codes, reglementen en gedragsregels. Het herkennen van beroepsethische dilemma’s en in samenspraak met anderen komen tot oplossingen hiervoor. Het analyseren van verschillende belangen en motieven en hiermee op integere wijze rekening houden in de relatie met de cliënt.

Professioneel werken bestaat uit 6 professionele rollen:

DE REGISSEUR: Je draagt, met een hoog niveau van autonomie, verantwoordelijkheid voor de resultaten van eigen (studie)werk. Realiseert eigen doelen door optimaal gebruik te maken van eigen kwaliteiten en talenten. Daarbij gebruik je effectieve communicatie voor het bereiken van jouw doelen.

DE ZIENER: Je reflecteert methodisch op je eigen professioneel handelen. Je hebt zicht op je kwaliteiten, talenten en ontwikkelmogelijkheden.

DE CRITICUS: Je hebt een kritische en onderzoekende houding en onderbouwt voortdurend gemaakte keuzes ook vanuit ethische overwegingen.

DE ONDERNEMER: Je laat een pro-actieve en ondernemende houding zien waarbij je professionele mogelijkheden en kansen herkent, creëert en hiernaar handelt.

DE REALIST: Je kent je eigen mogelijkheden en grenzen en zet, wanneer nodig, effectief zelfzorg in zodat je vitaal kunt werken en veerkrachtig om kunt gaan met tegenslagen.

DE COMMUNICATOR: Je kan in een wisselende ook internationale context op passende wijze communiceren met samenwerkingspartners. Je staat open voor mensen met een andere achtergrond en bevordert inclusiviteit.

  • De afstudeer-stagebegeleider heeft minimaal HBO denk/werk niveau en relevante kennis van en ervaring in het werkveld
  • De personele bezetting van de stageorganisatie moet in balans zijn met het aantal stagiaires.
  • De praktijkbegeleider mag GEEN familie zijn of banden hebben met familie van de stagiaire.
  • Op de afstudeerstageplek moeten er werkzaamheden en opdrachten kunnen worden uitgevoerd waardoor de student ervaring en ontwikkeling kan doormaken op TP competenties.
  • De stagebegeleider is het aanspreekpunt voor de stagiaire en levert relevante feedback.
  • Wekelijks is er een contactmoment, dit kan in verschillende vormen, afhankelijk van de stageplek; persoonlijk contact / telefonisch contact / mail contact.
  • Bij aanvang van de afstudeerstage zal meer begeleiding noodzakelijk zijn om de student in te werken.
  • Aan het begin van de afstudeerstage worden in een afstudeer-stageovereenkomst duidelijke afspraken gemaakt aangaande de taken en verantwoordelijkheden van de student. De stageovereenkomst moet zijn getekend door alle partijen voor aanvang van de afstudeerstage of uiterlijk 1 maand na start stage.
  • Er zal tenminste 2 keer contact zijn. Halverwege de afstudeerstage vindt er een tussentijdse evaluatie plaats. En er is een eindevaluatie waarin de student, de stagedocent van Toegepaste Psychologie en de stagebegeleider van de organisatie elkaar ontmoeten op de instelling, wanneer deze zich in Amsterdam bevindt. Wanneer de stageplaats zich buiten Amsterdam bevindt zal de stagedocent beslissen of de evaluatie per skype of anderszins kan plaatsvinden.
  • Er zullen meerdere keren feedbackmomenten worden ingericht door de student. Dit leidt tot een continu beeld van het functioneren van de student. Op basis van deze feedback vindt er uiteindelijk een eindbeoordeling plaats door de docent.
  • Aan het einde van de studie vindt er een TP EXPO plaats waar studenten op een dynamische wijze hun afstudeerproducten presenteren. Stageorganisaties zijn van harte uitgenodigd voor dit evenement van hun stagiair.

Gepubliceerd door  Faculteit Maatschappij en Recht 6 april 2020