Hogeschool van Amsterdam

Afstudeerstage

Studenten verdelen hun afstudeerstage over het derde jaar en vierde jaar van hun studie. In totaal beslaat de afstudeerstage twee semesters.

Studenten kunnen hun afstudeerstage bij een of bij twee praktijkorganisaties doen. Dit betekent dat studenten minimaal één en maximaal twee semesters stagelopen bij een organisatie. In overleg met de stageorganisatie bepalen studenten of ze drie of vier dagen per week stagelopen en welke dagen dit zijn. Hierbij moeten studenten uiteraard rekening houden met de dag waarop ze onderwijs volgen en met het feit dat ze in totaal 960 uur stage moeten lopen (waarbij studenten die drie dagen per week stagelopen recht hebben op negen vakantiedagen en studenten die vier dagen per week stagelopen recht hebben op twaalf vakantiedagen).

INSTAPEISEN VOOR DE STUDENT

De student mag starten met de afstudeerstage als er 100 punten zijn behaald inclusief Propedeuse en daarnaast ook Professioneel Werken 4 heeft afgerond.

COMPETENTIES EN OPDRACHTEN

Tijdens de afstudeerstage laten studenten zien dat ze de landelijke Toegepast Psychologiecompetenties (Beïnvloeden van gedrag, Beoordelen van gedrag, Praktijkgericht onderzoeken en Professioneel werken) op eindniveau beheersen en startbekwame professionals zijn. Studenten gaan systematisch te werk en maken praktijkopdrachten waarin beoordelen en beïnvloeden van gedrag centraal staan.

Bij het maken van de praktijkopdrachten werken de studenten systematisch en doorlopen zij een cyclus die bestaat uit de onderdelen ‘handelen’, ‘ontwerpen’ en ‘onderzoeken’. Onder ‘handelen’ wordt het beïnvloeden van gedrag verstaan in direct contact met de doelgroep of client en kan bijvoorbeeld door middel van het geven van een training, het coachen of begeleiden van een client of het geven van een voorlichting. Bij het onderdeel ‘ontwerpen’ ontwikkelt de student op een methodische manier bijvoorbeeld een interventie, aanpak of tool die gedragsbeïnvloeding tot doel heeft. ‘Onderzoeken’ heeft altijd betrekking op een praktijkvraag en kan bijvoorbeeld gericht zijn op een interventieontwerp of juist de evaluatie van een interventie. Bij al deze onderdelen van de cyclus gaat een student op professionele wijze te werk. Afhankelijk van het vraagstuk doorloopt een student voor een opdracht de gehele cyclus of een deel daarvan. Ook de volgorde van de onderdelen handelen, ontwerpen of onderzoeken kan verschillen. Al deze zaken worden uiteraard in afstemming met zowel de stagedocent als de praktijkbegeleider vormgegeven. Het uitgangspunt is dat de opdrachten van meerwaarde zijn voor uw praktijk.

Competentie 1: Beoordelen van gedrag

Het zelfstandig en op methodische wijze informatie verzamelen, en daarmee tot een oordeel komen over gedrag. Het inventariseren, analyseren en interpreteren van gegevens in relatie tot gedragsvraagstukken van individuen en groepen in de samenleving. Het daarbij kunnen toepassen van de volgende methoden: observatie, diagnostische gespreksvoering, psychodiagnostische gespreksvoering, psychodiagnostisch onderzoek en assessment met behulp van gestandaardiseerde en gevalideerde methoden en instrumenten, en dossieronderzoek.

Competentie 2: Beïnvloeden van gedrag

Het op basis van een analyse van een vraag of ontwikkelbehoefte ontwerpen en uitvoeren van, op psychologische kennis gebaseerde, gedragsinterventies en/of advies. Daarbij staat de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de cliënt voorop. Een interventie kan bestaan uit een begeleidings- of coachingstraject, training, voorlichting of geprotocolleerde vorm van behandeling zoals een hulpverleningstraject. Interventies kunnen zowel gericht zijn op preventie als op het verminderen en oplossen van gedragsproblemen, al of niet in de eerste lijn. Preventie kan ook betekenen het bestendigen van al aanwezig gewenst gedrag.

Doelen worden in overleg met opdrachtgevers en/of cliënten geformuleerd. In contact met individuen en groepen, variërend van jong tot oud en variërend naar culturele en sociale achtergrond, worden op methodische en verantwoorde wijze bijdragen geleverd aan ontwikkeling, effectiviteit of welbevinden.

Competentie 3: Praktijkgericht onderzoeken

Het, op basis van een praktijkprobleem/vraagstuk, op systematische en methodologisch verantwoorde wijze kwalitatief en/of kwantitatief onderzoek verrichten: het uitvoeren van een probleemanalyse en op basis daarvan formuleren van een onderzoeksvraag, het maken van een onderzoeksopzet, het doen van literatuuronderzoek, het verzamelen en analyseren van gegevens en op basis daarvan trekken van een conclusie. Vervolgens aanbevelingen doen voor de praktijk. De functie van praktijkgericht onderzoek is de (eigen) beroepspraktijk te verbeteren, innoveren of anderszins te ondersteunen.

Competentie 4: Professioneel werken

Professioneel werken omvat vier generieke competenties, namelijk:

  1. Interdisciplinaire en (inter)nationale samenwerkingsgerichtheid

Het in en buiten de eigen arbeidsorganisatie constructief en respectvol samenwerken met deskundigen van verschillende disciplines en verschillende niveaus, zowel in nationaal als internationaal verband.

  1. Kritische, onderzoekende en (pro-) actieve houding

Het tonen van een (pro-)actieve, leergierige en onderzoekende houding, daarbij wetenschap en specifieke theorieën op hun waarde weten te schatten en niet per definitie alles voor ‘waar’ aannemen. In staat zijn om hypes van evidence-based methoden te onderscheiden. Belangrijk hierbij is het methodisch ontsluiten en toepassen van kennis uit verschillende bronnen voor het uitoefenen en verder ontwikkelen van handelswijzen in de beroepspraktijk.

  1. Reflectief vermogen

Het door spiegeling en zelfontwikkeling reflecteren op het eigen handelen en dit refereren aan waarden en normen en de visie op het beroep. Het op basis hiervan komen tot verbetering van de effectiviteit en/of efficiency van het eigen handelen.

  1. Ethische en sensitieve handelswijze

Het handelen volgens expliciete beroepsspecifieke ethische codes, reglementen en gedragsregels. Het herkennen van beroepsethische dilemma’s en in samenspraak met anderen komen tot oplossingen hiervoor. Het analyseren van verschillende belangen en motieven en hiermee op integere wijze rekening houden in de relatie met de cliënt.

Professioneel werken bestaat uit 6 professionele rollen:

DE REGISSEUR: Je draagt, met een hoog niveau van autonomie, verantwoordelijkheid voor de resultaten van eigen (studie)werk. Realiseert eigen doelen door optimaal gebruik te maken van eigen kwaliteiten en talenten. Daarbij gebruik je effectieve communicatie voor het bereiken van jouw doelen.

DE ZIENER: Je reflecteert methodisch op je eigen professioneel handelen. Je hebt zicht op je kwaliteiten, talenten en ontwikkelmogelijkheden.

DE CRITICUS: Je hebt een kritische en onderzoekende houding en onderbouwt voortdurend gemaakte keuzes ook vanuit ethische overwegingen.

DE ONDERNEMER: Je laat een pro-actieve en ondernemende houding zien waarbij je professionele mogelijkheden en kansen herkent, creëert en hiernaar handelt.

DE REALIST: Je kent je eigen mogelijkheden en grenzen en zet, wanneer nodig, effectief zelfzorg in zodat je vitaal kunt werken en veerkrachtig om kunt gaan met tegenslagen.

DE COMMUNICATOR: Je kan in een wisselende ook internationale context op passende wijze communiceren met samenwerkingspartners. Je staat open voor mensen met een andere achtergrond en bevordert inclusiviteit.

Alle studenten zitten in het derde en vierde jaar van de opleiding in een leergemeenschap die bestaat uit 30 studenten en wordt begeleid door vier docenten. Tijdens de afstudeerstage zijn er nog twee extra docenten die de studenten ondersteunen bij hun afstudeerstage. De studenten en de docenten komen een keer per week bij elkaar voor intervisie en begeleiding bij het maken van de praktijkopdrachten. Tijdens de intervisie wordt het verloop van de stage besproken. We verwachten van de stagiair dat deze reflecteert op zijn of haar eigen handelen. Verder wordt ingegaan op dilemma’s van de stagiair waarbij de nadruk ligt op het professionaliseren van het eigen handelen. Elke student zal een docent toegewezen krijgen die fungeert als stagedocent en contactpersoon voor jullie organisatie.

In de startperiode van de stage is een actieve stagebegeleiding van belang. Die bestaat in het begin vooral uit het inwerken en wegwijs maken van de stagiair in de organisatie. Wanneer de stagiair is ingewerkt, adviseren wij wekelijkse contactmomenten te hebben. Afhankelijk van de structuur en cultuur in uw organisatie kan deze begeleidingsvorm verschillen. In deze contactmomenten is het goed om zowel stil te staan bij de (team)samenwerking als bij de individuele (expertise)ontwikkeling van de stagiair. Hierbij is het ook belangrijk om de voortgang met betrekking tot de praktijkopdrachten mee te nemen.

  • De afstudeer-stagebegeleider heeft minimaal HBO denk/werk niveau en relevante kennis van en ervaring in het werkveld
  • De personele bezetting van de stageorganisatie moet in balans zijn met het aantal stagiaires.
  • De praktijkbegeleider mag GEEN familie zijn of banden hebben met familie van de stagiaire.
  • Op de afstudeerstageplek moeten er werkzaamheden en opdrachten kunnen worden uitgevoerd waardoor de student ervaring en ontwikkeling kan doormaken op TP competenties.
  • De stagebegeleider is het aanspreekpunt voor de stagiaire en levert relevante feedback.
  • Wekelijks is er een contactmoment, dit kan in verschillende vormen, afhankelijk van de stageplek; persoonlijk contact / telefonisch contact / mail contact.
  • Bij aanvang van de afstudeerstage zal meer begeleiding noodzakelijk zijn om de student in te werken.
  • Aan het begin van de afstudeerstage worden in een afstudeerstageovereenkomst duidelijke afspraken gemaakt aangaande de taken en verantwoordelijkheden van de student. De stageovereenkomst moet zijn getekend door alle partijen voor aanvang van de afstudeerstage of uiterlijk 1 maand na start stage.
  • Er zal tenminste 2 keer contact zijn. Halverwege de afstudeerstage vindt er een tussentijdse evaluatie plaats. En er is een eindevaluatie waarin de student, de stagedocent van Toegepaste Psychologie en de stagebegeleider van de organisatie elkaar ontmoeten op de instelling, wanneer deze zich in Amsterdam bevindt. Wanneer de stageplaats zich buiten Amsterdam bevindt zal de stagedocent beslissen of de evaluatie per skype of anderszins kan plaatsvinden.
  • Er zullen meerdere keren feedbackmomenten worden ingericht door de student. Dit leidt tot een continu beeld van het functioneren van de student. Op basis van deze feedback vindt er uiteindelijk een eindbeoordeling plaats door de docent.
  • Aan het einde van de studie vindt er een TP EXPO plaats waar studenten op een dynamische wijze hun afstudeerproducten presenteren. Stageorganisaties zijn van harte uitgenodigd voor dit evenement van hun stagiair.

Gepubliceerd door  Faculteit Maatschappij en Recht 3 juni 2021