Hogeschool van Amsterdam

Het belang van bewegingsonderwijs tijdens én na de pandemie

16 apr 2021 14:18

In Amsterdam kampt ruim 20% van de basisschoolkinderen met een motorische achterstand. Circa 5% van deze kinderen heeft zelfs een ernstige achterstand. Door schoolsluitingen tijdens de pandemie vielen de gymlessen een aantal keer weg. Welk effect heeft dit op de (bewegings)vaardigheden en de gezondheid van jonge kinderen? Het lectoraat Bewegen In en Om School (BIOS) doet onderzoek naar deze en andere vraagstukken op diverse basisscholen in de Metropoolregio Amsterdam.

‘Vanaf groep drie brengen kinderen een groot deel van hun schooldag zittend door. Terwijl onderzoek uitwijst dat regelmatig bewegen en actieve pauzes ervoor zorgen dat zij beter tot leren komen. Goed kunnen bewegen, zorgt ervoor dat kinderen lol in hebben in sport en spel én het vaker willen doen’, aldus Mirka Janssen. Dat heeft een positief effect op de gezondheid en het welbevinden van een kind. In bewegingssituaties zie je dat kinderen zich ontwikkelen op allerlei gebieden, zoals taalontwikkeling en sociale vaardigheden.’

Janssen is lector Bewegen In en Om School. Daarnaast is ze themaleider ‘Gezond Opgroeien’ binnen het Centre of Expertise Urban Vitality. Haar lectoraat is verbonden aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) en doet onderzoek naar de rol van de gymdocent in en om de school én de invloed hiervan op de motorische, cognitieve en sociale ontwikkeling van kinderen en jongeren.

Mirka Janssen ALO Amsterdam

Mirka Janssen

Minder bewegen tijdens pandemie

Tijdens de pandemie werden alle basisscholen tweemaal gesloten. Janssen: ‘Er vielen twee uren bewegingsonderwijs per week weg. Dat lijkt weinig. Maar het ging om veel meer dan dat. Ook de buitenspeelpauze (elke dag 30-45 minuten) op het schoolplein viel weg. Sportverenigingen sloten hun deuren. Buurtactiviteiten stopten. Sommige kinderen worden van huis uit gestimuleerd om te bewegen. Maar degenen die al weinig bewogen, gingen tijdens de pandemie nog minder bewegen. Dit heeft de verschillen in motorische vaardigheden en beweeggedrag tussen kinderen mogelijk vergroot.’

Tijdens het project Gymmermansoog deed Janssen eerder onderzoek naar een passend meetinstrument voor gymdocenten om de ontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen. ‘We kunnen hierdoor nu goed meten of een kind zich ontwikkelt conform zijn of haar leeftijd. Of dat het in meer of mindere mate achterloopt. Voor kinderen die achterlopen in hun motorische ontwikkeling hebben we een route ontworpen voor extra ondersteuning, bijvoorbeeld door de inzet van extra lessen of door samenwerking met een fysiotherapeut.’

Grotere verschillen tussen kinderen

Vooralsnog vindt Janssen het te voorbarig om te zeggen dat kinderen bewegingsachterstanden hebben opgelopen tijdens de pandemie. Ik verwacht wél dat de verschillen tussen kinderen groter geworden zijn. Op het moment analyseren we een grote hoeveelheid data van voor én na de schoolsluitingen. Ik heb 1 buitenlands onderzoek gezien, waaruit blijkt dat Portugese kinderen minder vaardig zijn dan voor de coronacrisis. Voor ons is het is te vroeg om hier met zekerheid iets over te zeggen. Daarbij heb ik een groot vertrouwen in de veerkracht van kinderen. Er staan genoeg professionals om ze heen om ze te stimuleren nu de scholen en sportverenigingen weer open zijn.’

Tijdens de schoolsluitingen werd er van alles georganiseerd om kinderen in beweging te houden. We zagen dat veel gymdocenten filmpjes maakten en uitdagingen bedachten. We onderzoeken of deze initiatieven óók degenen met minder bewegingsvaardigheden activeerden. Vaak bereiken dit soort initiatieven namelijk vooral de kinderen die al veel bewegen.’

Samen met scholings- en adviesbureau Alles in Beweging ontwikkelde Janssens lectoraat een keuzewijzer met daarin alle bewegingsinitiatieven. ‘Over de vele initiatieven legden we een kwaliteitskader. Zo onderzochten we bijvoorbeeld welke activiteiten rekening houden met verschillen tussen kinderen.’ De keuzewijzer is voor iedereen toegankelijk.

Netwerken en verbinding

Janssens lectoraat heeft een duidelijke visie op de rol van de gymdocent. Hij of zij moet ten eerste kinderen goed leren bewegen. Daarnaast stimuleren we de samenwerking tussen de gymdocent en andere professionals rondom de begeleiding van kinderen met een motorische achterstand. Ten derde zetten we in op een actieve ambassadeursfunctie. De gymdocent kan verbinding leggen tussen school en de wijk. Een goed netwerk met buurtsportcoaches en -trainers op sportclubs is daarbij heel belangrijk. Een structurele samenwerking zorgt ervoor dat niet alleen de van nature actieve kinderen, maar ook de minder vaardigen, gestimuleerd worden.’

Rondom de schoolsluitingen zag Janssen een aantal positieve, tijdelijke aanpassingen in het bewegingsonderwijs. ‘Zo werd er lesgegeven in halve groepen en buiten op het schoolplein. We zien dat gymdocenten in kleinere groepen beter kunnen aansluiten bij de individuele behoeften van kinderen. Buiten lesgeven helpt de gymdocent om zijn rol te verbreden en verbinding te leggen met collega’s. Hij of zij kan het team van docenten inspireren bij het vormgeven van actieve pauzes. Ook waren de buitenspeelpauzes vaak alleen met de eigen groep, waardoor er veel meer bewegingsruimte op het schoolplein was voor kinderen.

Visie tot leven brengen

Maar er is meer nodig. Janssen: ‘Ten eerste een duidelijke visie op het belang van bewegen tijdens de schooldag. Als er al een gezamenlijke visie is, hoe breng je de visie dan tot leven? Daarin ligt de uitdaging. We zien al mooie initiatieven ontstaan, zoals een extra buitenspeelpauze voordat de kinderen starten met de lessen.’

Natuurlijk is ook de rol van de gemeente belangrijk. ‘Zij kan ondersteunende beleidswijzigingen doorvoeren. Ons onderzoek wees eerder uit dat de motorische vaardigheden van kinderen beter zijn wanneer zij in de kleuterklassen al les krijgen van een gymdocent. De gemeente Amsterdam verstrekt nu alleen nog subsidies voor gymdocenten aan scholen die een gymdocent plaatsen bij de kleuterklassen. Daarnaast hebben wij een heel goed beeld van de spreiding van kinderen met een bewegingsachterstand. De gemeente kan daardoor gericht activiteiten aanbieden in bepaalde buurten.

Momenteel maken we met diverse scholen lange termijnplannen. Wat kunnen scholen doen? Waar kunnen wij ondersteunen met kennis en onderzoek? En wat is nodig vanuit de gemeente? Wanneer je samen stuurt op basis van kennis, ervaring en onderzoek, kun je duurzame veranderingen doorvoeren.’

Gymmermansoog

Gymmermansoog is een afgerond project, dat erop gericht was de gymleraar uit te rusten met een meetinstrument om de motoriek van kinderen goed in kaart te brengen. Hiervoor bekeken onderzoekers wetenschappelijk de 4-vaardighedentest en stelden zij afkapwaarden vast. Vervolgens ontwikkelden onderzoekers een stoplichtmodel:

  • Groen: een kind ontwikkelt zich leeftijdsconform
  • Oranje: er is een matige achterstand in de motoriek
  • Rood: er is een grote achterstand in de motoriek

Naar aanleiding van de metingen overlegt een gymdocent met de groepsleerkracht en IB-er over zijn of haar bevindingen. Hoe gedraagt een kind zich bijvoorbeeld op het schoolplein? Staat hij/zij veel aan de kant? Kan hij/zij meedoen? Zijn er andere ontwikkelgebieden waarin een kind achterloopt? Hoe is het zelfvertrouwen?

Vervolgens gaan docenten en/of andere professionals in gesprek met de ouders van kinderen met een matige tot grote motorische achterstand. Daarnaast krijgen de kinderen meer begeleiding op school en wordt voor hen contact gelegd met buurt- en sportverenigingen. Bij kinderen met een grote motorische achterstand zorgt de jeugdgezondheidsarts voor de juiste verwijzing naar een professionele begeleider, zoals een fysiotherapeut.

Het project Gymmermansoog kreeg vervolg in twee andere onderzoeksprojecten:

  • Binnen het SAMBO-project wordt onderzocht hoe professionals op de best mogelijke manier in gesprek kunnen gaan met ouders van kinderen met een motorische achterstand. Niet alle ouders vinden goed kunnen bewegen even belangrijk. Hoe kunnen professionals hen het belang hiervan goed bewegen duidelijk maken? Zodat zij ook in hun thuissituatie de nodige aanpassingen doen voor een kind.
  • Binnen het VAMOS-project richten onderzoekers zich op de begeleiding van kinderen met een lichte motorische achterstand. Dit is een heel uiteenlopende groep kinderen. Zo zijn er kinderen bij met overgewicht, of met minder interesse voor bewegen. Onderzocht wordt welke interventies goed werken bij de verschillende groepen kinderen.