Hogeschool van Amsterdam

Gymmermansoog

Een motorische achterstand vraagt om teamwork

Op welke manier kunnen gymleraren op basisscholen het beste worden ondersteund bij hun rol in de gezonde motorische ontwikkeling van kinderen? Dat is dé vraag van het Gymmermansoog-project, dat met subsidie van RAAK-SIA tussen 2014 en 2019 werd uitgevoerd. Het project leverde niet alleen een geschikt instrument op voor het testen van de motoriek, maar ook de ondersteuningsroute Bewegen en Motoriek. Deze route maakt in één klap duidelijk wie wat wanneer doet, zodat de handen nog krachtiger ineen kunnen worden geslagen.

Ongeveer 15 procent van de Amsterdamse basisschoolleerlingen in de leeftijd van 6 tot 9 jaar heeft een matige of flinke achterstand in de grof-motorische ontwikkeling. Dit blijkt uit onderzoek van het lectoraat Bewegen In en Om School (BIOS) van de HvA. Een motorische achterstand kan invloed hebben op de gezondheid, het plezier in bewegen en de hoeveelheid lichamelijke activiteit – nu én later. Daarnaast vinden kinderen die minder goed kunnen bewegen, veelal minder aansluiting met andere kinderen. Al met al genoeg redenen om de motoriek niet alleen te monitoren, maar ook te testen. Alleen, hoe doe je dat nu zo goed mogelijk?

Zo test je de motoriek

Om de motoriek van kinderen vast te stellen, gebruiken basisscholen normaliter de 4-Vaardighedentest. Hierbij worden kinderen getest op hun balans, springkracht, spring-coördinatie en oog-hand-coördinatie. Vervolgens worden de afkapwaarden gehanteerd volgens het stoplichtmodel; groen’ voor een leeftijdsconforme motorische ontwikkeling, ‘oranje’ voor kinderen met een matige achterstand en ‘rood’ voor kinderen met een ernstige achterstand. Maar hoe valide en betrouwbaar is deze test eigenlijk? Meten is nu eenmaal weten en zodoende neemt het Gymmermans-project de test zorgvuldig onder de loep. De uitkomst is positief en dat betekent dat er een valide meetinstrument is. Maar hoe en wat nu verder?

De ondersteuningsroute in een notendop

De 4-Vaardighedentest wordt door de gymleraar tijdens een reguliere gymles afgenomen. De score die hieruit voortkomt, wordt vervolgens aangevuld met de observaties van de gymleraar. Blijkt een kind een middelmatige of een ernstige motorische achterstand te hebben, dan wordt de score bekeken door groepsleerkracht, de intern begeleider en de ouder(s). De ‘last’-vraag is hierbij essentieel. Ofwel, wordt het kind in zijn of haar dagelijks leven belemmerd door de motorische achterstand? Is het antwoord ja, dan wordt gekeken welke begeleiding nodig is, wanneer er kan worden gestart en hoe lang de begeleiding gaat duren. Voor leerlingen met een ernstige achterstand in de motoriek, kan het zijn dat er eerst nog een andere specialist moet worden ingeschakeld. Dit is vaak de jeugdarts, die op de hoogte is van de (gezins)situatie en de ontwikkelingen van het kind, en zodoende de vervolgstap kan verfijnen waar nodig. In sommige gevallen betekent dit dat er een (medisch) specialist of kinderfysiotherapeut wordt ingeschakeld voor nader onderzoek of behandeling.

Samenwerken is het sleutelwoord

De ondersteuningsroute gaat over verschillende lagen, soms ook buiten de scholen. Dat vraagt om goede, heldere communicatie tussen alle betrokken partijen, maar boven alles om een gezamenlijk plan van aanpak. Hoe beter iedereen weet wie wat wanneer doet, hoe klein de kans dat zaken stagneren of blijven liggen. En dus ook: hoe groter de kans dat het kind met een motorische achterstand een leven lang beweegt met plezier. Om gezamenlijk tot een succesvolle ondersteuningsroute te komen, ontwikkelt het Platform LO in Beweging interdisciplinaire scholing, die op lokaal niveau kan worden ingezet. De financiering voor deze ondersteuningsroute wordt gedekt uit de financiering voor passend onderwijs, voor jeugdzorg en voor zorgverzekerde zorg.

Gepubliceerd door  Urban Vitality 8 oktober 2020