Hogeschool van Amsterdam

Medezeggenschap

Opinie: Goed onderwijs vraagt verplichte aanwezigheid

1 okt 2020 12:55 | Medezeggenschap

Studenten zouden zo veel mogelijk colleges moeten bijwonen, vind ik. In de medezeggenschapsnieuwsbrief (8 juli 2020) wijst de deelraad FBE, op grond van eigen onderzoek, dat docenten aanwezigheid vaak verplicht stellen, maar dat daar veelal onvoldoende (wettelijke) basis of motivatie voor is.

Die constatering daagt mij uit om een pleidooi te houden voor zo veel mogelijk aanwezigheid. Dat doe ik op grond van de volgende argumenten. De eerste twee gaan over de logica van aanwezigheidsverplichting. Mijn derde argument heeft te maken met visie op onderwijs.

Veel van onze studenten komen van de havo; ze krijgen bij ons op de HvA een gedegen opleiding en gaan dan de arbeidsmarkt op. Op de havo moeten scholieren verplicht aanwezig zijn, op hun werk zullen ze ook veelal verplicht aanwezig zijn. Hoe logisch is het dan dat ze in de korte tussenliggende periode op het hoger onderwijs die verplichting niet zouden hebben?

Een tweede argument waarom ik het niet logisch vind dat er geen aanwezigheid gevraagd wordt, betreft het belang van de behandelde stof. Ik geloof in mijn vak en meen dat ik iets interessants en relevants te vertellen heb aan de studenten. Als ze niet komen, missen ze dus iets. Niet alleen wat ik te vertellen heb, maar ook wat we met elkaar kunnen delen in onderlinge uitwisseling of groepsopdrachten.

Mijn derde argument heeft te maken met visie op onderwijs. Volgens de pedagoog Gert Biesta heeft het onderwijs drie doelen: kwalificatie, socialisatie en subjectificatie (zeg maar: persoonsvorming).

Kwalificatie wil zeggen dat studenten voldoende gekwalificeerd worden om de arbeidsmarkt op te gaan. Wat ze daarvoor aan kennis en vaardigheden nodig hebben, kun je in principe grotendeels uit de boeken halen. Daarvoor hoef je niet per se aanwezig te zijn in de colleges. Maar dat moet voor die andere twee doelen wel.

Met socialisatie wordt bedoeld dat we deel worden van een groep met bepaalde manieren van doen: je moet ingroeien in een lerende gemeenschap of in een beroepspraktijk. Daarvoor moet je natuurlijk wel deelnemen aan die lerende gemeenschap die je voorbereidt op de beroepspraktijk. In je eentje thuis zitten studeren kan je veel kennis opleveren, maar kan je niet ‘socialiseren’. Je moet dan toch echt meedoen in het klaslokaal. En niet alleen dat: je moet onderdeel willen uitmaken van de studentengemeenschap. Door tijdens de colleges te reflecteren op praktijkvoorbeelden leer je alvast in te groeien in de beroepspraktijk.

Persoonsvorming (subjectificatie) vraagt volgens Biesta vooral belangstelling in de ander. Je ontwikkelt je eigenheid (je ‘subject-zijn’) in relatie met anderen: mensen aan wie je een voorbeeld neemt of waar je je tegen afzet. Dat vraagt dus interactie met anderen. Dat kunnen medestudenten zijn die je op een bepaalde manier ziet gedragen in de collegebanken. Je spiegelt je dan aan de manier waarop zij studeren, deelnemen aan discussies en aan de meningen die ze daarbij naar voren brengen. Telkens roept dat vragen op als: hoe zou ik dat doen? Hetzelfde geldt voor interactie met docenten: op welke manier zijn ze voorbeeldfiguren voor mij en op welke punten wil ik absoluut niet worden zoals zij. Anders gezegd: hoe wil ik zijn?

De medezeggenschapsraad heeft dus geïnventariseerd waar aanwezigheid wordt vereist en of dat wettelijk is toegestaan. Dat kan eigenlijk alleen als op drie vragen bevestigend kan worden geantwoord. Kan dat niet, dan mag je die aanwezigheid niet verlangen, stelt de Raad. Gezien het voorgaande zou ik zeggen: laten we die eisen nu eens anders formuleren.

  • Niet vragen “of de oefeningen uitsluitend onder begeleiding kunnen plaatsvinden tijdens de ingeroosterde bijeenkomsten”, maar: richt je onderwijs zo in dat er veel oefeningen zijn waarin studenten hun vaardigheden vergroten.
  • Niet vragen “of de oefeningen gericht zijn op het verwerven van een praktische beroepsvaardigheid”, maar: zorg dat de oefeningen gericht zich op het verwerven van praktische beroepsvaardigheden.
  • Niet vragen “of de oefeningen binnen de betreffende onderwijseenheid worden getentamineerd”, maar maak toetsen zo dat ook de aangeleerde vaardigheden getoond kunnen worden.

Dit lijken trouwens drie punten die vooral over kwalificatie gaan. Daarom zou ik er graag nog aan willen toevoegen: richt je colleges zo in dat ze ook bijdragen aan socialisatie en subjectificatie.

Gert de Jong
Hogeschool hoofddocent cluster Finance & Accounting (FBE)

-------------------------

Dit is een reactie naar aanleiding van het eerder verschenen artikel: "Verplichte aanwezigheid. Is dat nog wel van deze tijd?"