Hogeschool van Amsterdam

LO in Beweging

Waarom moet ik dit weten als gymdocent?

12 nov 2020 12:58 | LO in Beweging

Om leerlingen een goede en verantwoorde gymles te kunnen geven, moet je weten hoe de motorische ontwikkeling van kinderen in verschillende leeftijdscategorieën verloopt. Reden voor Marije de Vries, docent aan de ALO om haar medisch-biologische kennis te verwerken in haar lessen.

Belastbaarheid kinderlichaam

“Het grote belang van medisch-biologische kennis is dat studenten de beginsituatie van een groep goed kunnen inschatten, zodat ze lessen ontwerpen die naast leuk en intensief ook leerzaam zijn voor hun leerlingen. Met altijd als doel om elk kind bij je les te betrekken, eventueel in andere rollen.” Het wordt duidelijk bij het vak ‘Ontwerpen van beweegsituaties in het Primair Onderwijs’ dat ALO-studenten in het tweede jaar volgen: “Het is belangrijk te weten hoeveel kracht een kind heeft, hoe belastbaar een kinderlichaam is, welke factoren de coördinatie beïnvloeden, welke brandstof het lichaam kiest, hoeveel rust het nodig heeft om te herstellen en hoe dat verandert naarmate het kind ouder wordt. Zo leren de studenten in het eerste blok waarom ze van kleuters nog geen complexe coördinatieve beweegpatronen kunnen verwachten; het zenuwstelsel moet nog rijpen. Ook bespreken we de belastbaarheid en het herstel van het kinderlichaam in diverse fasen. Studenten gaan hierdoor bijvoorbeeld nadenken over hoe lang ze een tikker deze taak kunnen laten doen.”

Marije de Vries ALO

Beter bewegen

In blok 2 gaan de lessen over hoe je het bewegen daadwerkelijk kunt verbeteren. Ook hier komt medisch-biologische kennis aan bod: kennis over het motorisch leren, welke interventiemethode zet je in om leerlingen iets te leren, welke zijn speciaal geschikt voor kinderen (en waarom) en daarnaast een stukje Trainingsleer. Blok 3 gaat over het individuele kind. Welke verschillen zijn er tussen kinderen? En hoe handel je als een kind een aandoening heeft?

Jonge tieners

“Het laatste blok gaat over het voortgezet onderwijs. Daar gebeurt ook van alles in de ontwikkeling van leerlingen. Lichamen veranderen, meisjes komen meestal zo’n twee jaar eerder in de groeispurt dan jongens, en er vinden veel hormonale veranderingen plaats. Je zou kunnen zeggen dat er een gedragscomponent bij komt. Wij vinden het heel belangrijk dat onze studenten daar inzicht in krijgen en weten hoe ze hun bewegingslessen op specifieke doelgroepen kunnen aanpassen.”

Geïntegreerde lessen

De ALO werkt sinds een aantal jaren met een nieuw curriculum waarin theorie en praktijk heel nauw met elkaar zijn verweven. Het tweedejaarsteam bestaat uit praktijkdocenten, een docent uit de sociaal-wetenschappelijke hoek, een bewegingswetenschapper (Marije dus) en een onderzoeksdocent. Al hun kennis komt gecombineerd in één week aan bod, en dat een aantal weken achter elkaar: eerst één à twee dagen stagelopen, dan komen de studenten op de ALO voor praktijklessen waarin ze hun eigen (stage)lessen analyseren en aanpassen, en op vrijdag wordt de theoretische onderbouwing besproken.

Win-win

Marije is heel blij met deze opzet: “Voorheen gaf ik Fysiologie in een collegezaal. Ik zag studenten wegzakken bij de vele Latijnse namen, ze zagen het nut er niet van in. Nu valt het kwartje direct als ze in de zaal aan de slag gaan en het belang van fysiologische kennis ervaren,” En ze ziet nog een voordeel: “Studenten zitten in een continue feedbackloop, waarin ze snel kunnen leren en ervaren! Je ziet dat het vruchten afwerpt. En wij, docenten, leren net zo hard mee in deze nieuwe vorm van onderwijs geven. Fantastisch toch?”