Hogeschool van Amsterdam

FLOOR

Maatwerk nodig voor mbo’ers die willen doorstromen

23 sep 2014 12:58 | FLOOR

Er werd vooral óver mbo-studenten gepraat tijdens het Grote mbo-hbo-gesprek in een volle Kohnstammzaal van de HvA. Het inleidende filmpje vooraf liet echter wel studenten aan het woord. “In onze klas heeft geen enkele mbo’er het eerste jaar hbo gehaald.” Er zijn moeilijkheden, maar ook kansen en verbeteringen, was de algemene conclusie van de gastsprekers

De cijfers zijn niet rooskleurig, opent Marcelle Peeters (programmanager van het op te richten lectoraat vmbo-mbo-hbo aan de HvA) het gesprek. Aan interviewer Paul van de Water (zakelijk directeur Folia) somt ze de feiten op: ruim een kwart van de mbo’ers stroomt door naar het hbo. Daarvan haalt 57 procent het eerste jaar wel. Maar dat betekent dat een bijna even groot percentage er niet in slaagt het hbo-niveau te halen. “De uitval is hoog en valt niet meer te adresseren aan de individuele student. We doen dus als hbo iets fout.”

Dat is jammer, meent gastspreker Thom de Graaf (voorzitter Vereniging Hogescholen). “Het hbo is een deel van de beroepskolom, het staat niet los van de andere beroepsopleidingen. De mbo’er die door wil en kan, die moeten we kunnen faciliteren als hbo. Ik zou het zonde vinden als mbo’ers dat extra stapje niet zetten, omdat de mogelijkheden er niet genoeg zijn.”

Kwaliteit

Dat betekent niet dat De Graaf de kwaliteit uit het oog verliest: “Wie het talent niet heeft, of een stukje niveau in de vooropleiding mist, zou daar goed over moeten nadenken.” Daar moet het hbo aandacht aan geven, meent De Graaf: “Het hbo moet ook zijn verantwoordelijkheid nemen door goed samen te werken met het mbo en goede studiechecks uit te voeren: “'Strenger selecteren’ zo noem ik dat liever niet, maar men moet ook uit kunnen gaan van de motivatie van de student. Ik heb daarom geen bezwaar tegen selectie bij instroom op hbo vanuit het mbo.” Een BAS aan het einde van het eerste jaar komt nog te veel voor, zegt De Graaf. “Maar zij die het eerste jaar wél halen, studeren sneller af dan havisten en vwo’ers.”

Pitches

In korte pitches betogen de gastsprekers hun visie op het thema. De meest gehoorde lastigheden bij het doorstroomtraject zijn volgens de sprekers (waaronder Huib de Jong, rector HvA en Jan van Zijl, voorzitter van de MBO-Raad) het verschil in leerstijlen op de twee niveau’s. Ook de grotere zelfstandigheid die men verwacht van studenten in het hbo speelt mee. Daarnaast noemt men het gegeven dat mbo’ers ‘meer geboeid’ moeten worden dan hbo’ers. Volgens HvA-rector Huib de Jong is doorstroom wel wenselijk: door de toenemende vergrijzing is het van belang dat ieder talent kan doorstromen en zich verder kan ontwikkelen. Ook vraagt het bedrijfsleven steeds vaker naar een hoger opleidingsniveau: “Het hbo heeft de functie van portal naar het hoger onderwijs. We moeten deze doorstromers begeleiden en het curriculum verder flexibel maken.” De Associate degree, een tweejarig hbo-traject, kan een handig instrument zijn om mbo-studenten toch een hogere kwalificatie te bieden, volgens De Jong. De Graaf noemt ook de Associate degree: "Dat betekent ook dat de Associate Degree opleidingen beter gepositioneerd moeten worden. Ze moeten beter in beeld komen bij studenten in het mbo die wel door willen leren, maar niet altijd behoefte hebben aan een volledige hbo-bachelor opleiding. Hogescholen kunnen nog zoveel méér met deze Associate Degrees."

Maatwerk voor individuele student

Jan van Zijl (voorzitter van de MBO Raad) verdedigt ‘zijn’ mbo: “We streven er te veel naar dat leerlingen op de universiteit terechtkomen. Sommige havisten en vwo’ers past het mbo gewoon beter.” Ontevreden is De Graaf over het wetsvoorstel aangaande het leenstelsel en de moeilijkheden die dat voor de doorstroom zou kunnen betekenen. “Onderwijs is zoveel meer dan alleen prestatieafspraken, die gemeten worden. Individueel maatwerk, voor mbo’ers die het talent hebben om door te stromen naar het hbo is een must om die doorstroom tot een succes te maken.”