Hogeschool van Amsterdam

Tweede Kamer wil debat over tegenvallende resultaten voorschool

3 nov 2015 20:54 | Afdeling Communicatie

De voor- en vroegschoolse opvang in Nederland heeft géén toegevoegde waarde voor het jonge kind. Dit blijkt uit een groot onderzoek dat lectoren Ruben Fukkink en Ron Oostdam van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) uitvoerden in opdracht van BOINK (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang & Peuterspeelzalen). “Er is nul resultaat voor rekenen, nul resultaat voor taal, nul voor sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is nul”, aldus lector Ruben Fukkink in Brandpunt vanavond.

Uit een rondgang van het KRO-NCRV televisieprogramma Brandpunt blijkt dat een ruime meerderheid in de Tweede Kamer naar aanleiding van dit onderzoek in debat wil met staatssecretaris Dekker van Onderwijs over de effectiviteit van voor- vroegschoolse opvang.

De voor- en vroegschoolse educatie wordt gegeven aan tienduizenden kinderen van 2,5 tot 6 jaar binnen peuterspeelzalen en kleuterklassen. De jaarlijkse kosten van de voorschool bedragen naar schatting ten minste 500 miljoen euro. Zo’n 15 jaar geleden werden de eerste voorschoolse programma’s in Nederland opgezet, om het niveau van kinderen uit achterstandssituaties bij te spijkeren. Maar hoe effectief de voor- en vroegschoolse opvang (vve) in de Nederlandse situatie daadwerkelijk is, was niet eerder in een meta-analyse in kaart gebracht. Daarom gaf BOINK de lectoren Fukkink en Oostdam opdracht tot dit onderzoek. Uit hun meta-analyse blijkt dat het gemiddelde effect van de vve ‘kleiner is dan klein, en zelfs statistisch niet significant afwijkt van nul.’

Over het onderzoek

HvA-lectoren en bijzonder hoogleraren UvA Ruben Fukkink (Kinderopvang) en Ron Oostdam (Onderwijsleerprocessen) en onderzoeker Lisanne Jilink analyseerden ruim 20 onderzoeken die tussen 2000 en 2015 werden uitgevoerd naar het effect van de voor- en vroegschoolse opvang (vve). Al deze onderzoeken hadden in totaal betrekking op ruim 50.000 kinderen. De lectoren onderzochten wat het effect is van de vve op het cognitieve en het sociaal-emotioneel functioneren van jonge kinderen, vergeleken met leeftijdsgenootjes uit de reguliere kinderopvang en kleutergroepen. Dat het effect praktisch nul blijkt, betekent dat vve geen wezenlijk verschil maakt voor de ontwikkeling van kinderen die hebben deelgenomen aan het programma, aldus de onderzoekers.

Niet bewezen effectief

Uit het onderzoek rijst de vraag, of de Nederlandse vve wel voldoende is gebaseerd op ‘ evidence based’ methoden, aldus de onderzoekers. Kinderen worden bijgeschoold aan de hand van programma’s als Piramide, Kaleidoscoop en Uk en Puk. Deze programma’s zijn wel theoretisch onderbouwd, maar niet bewezen effectief.

Wat kan gedaan worden om de situatie te verbeteren? Daartoe doen de onderzoekers een aantal aanbevelingen. Een daarvan is om de schotten tussen basisonderwijs, buitenschoolse opvang, kinderopvang en peuterspeelzalen op te heffen. Ten tweede wijzen de onderzoekers erop dat het Nederlandse systeem gebaseerd is op segegratie: kinderen uit achterstandsmilieus komen bij elkaar terecht in de voorschoolse opvang. Ook worden peuterspeelzalen vaker bezocht door kinderen uit lagere sociale klassen, terwijl kinderdagverblijven eerder gericht zijn op kinderen van ouders met hogere sociaaleconomische status. De lectoren pleiten daarom voor één basisvoorziening of integraal kindcentrum, gelijk voor kinderen van alle niveaus. ‘Met het oog op de toekomst moet niet segregratie, maar integratie van voorzieningen een sterke basis gaan vormen voor de brede ontwikkelingen van kinderen in Nederland.’