Hogeschool van Amsterdam

Beter opsporen met mobiel DNA-apparaat?

5 sep 2014 16:15 | Afdeling Communicatie

Sporenonderzoek wordt steeds geavanceerder. Met een mobiel DNA-apparaat en een spectraalcamera voor bloedsporen kunnen rechercheurs ter plekke zelf onderzoek uitvoeren, dat vroeger in het lab plaatsvond. Hoe beïnvloedt dit de opsporing? Dat onderzoekt Lector Forensisch Onderzoek Christianne de Poot met haar onderzoeksteam.

Mobiel DNA-apparaat

Technische innovaties maken het mogelijk dat rechercheurs voortaan zelf sporen analyseren op de plaats delict. De rechercheur kan binnen 90 minuten een volledig DNA-profiel destilleren met een mobiel DNA-apparaat (via een chip met minuscule buisjes), terwijl dit analyseproces in het lab uren in beslag neemt. Een politiefunctionaris kan dit DNA-profiel vervolgens online ter vergelijking doorsturen naar de landelijke databank.
Nog zo’n innovatie is de spectraalcamera: deze signaleert bloed, en kan bepalen hoe oud dat is. Je hoeft de camera alleen op een plek te richten, en dus niet zelf materiaal te verzamelen. Daardoor tast deze analyse het sporenbeeld niet aan. Een grote vooruitgang dus, deze moderne opsporingstechnieken. Maar leidt dit vaker tot betere opsporing?

Tunnelvisie

Dat hangt er vanaf hoe rechercheurs de clues interpreteren, legt lector Forensisch Onderzoek Christianne de Poot uit: ‘Informatie blijkt mensen te sturen.’ Dit bleek al uit eerder onderzoek. In experimenten gaven onderzoekers vooraf tactische informatie aan de rechercheurs die sporen moesten analyseren en interpreteren. Uit het onderzoek blijkt dat mensen zich laten beïnvloeden door de voorinformatie die ze krijgen en door de verwachtingen die ze hebben, hetgeen kan leiden tot ‘tunnelvisie’. Komende jaren onderzoekt het onderzoeksteam van De Poot hoe innovaties als het DNA-apparaat en de spectraalcamera het rechercheproces beïnvloeden.

Forensisch Onderzoek

Met het lab op zak

De Hogeschool van Amsterdam werkt voor het onderzoek ‘Beter Opsporen met het Lab op Zak’ samen met het Nederlands Forensisch Instituut, de Nationale Politie, de UvA en de VU. Het onderzoek is aangemeld voor de RAAK-award 2014. De onderzoekers gebruiken een in scène gezette plaats delict. Elke rechercheur moet dezelfde plaats delict onderzoeken, zoals ze dit ook in de dagelijks praktijk zouden doen.

De percepties, interpretaties en besluitvorming van de rechercheurs worden onderzocht. Wat nu al blijkt, is dat er tussen rechercheurs grote verschillen bestaan. Christianne De Poot: ‘Onze experimenten worden steeds slimmer in elkaar gezet. De komende twee jaar komen we veel meer te weten over menselijke factoren die een rol spelen bij het forensisch onderzoek op een plaats delict, en zullen we meer inzicht krijgen in de manier waarop deze nieuwe innovaties het opsporingsproces sturen.’

Uit het huidige onderzoek van De Poot en haar onderzoeksteam, blijkt dat in de praktijk ongeveer 38% van de sporen die worden veiliggesteld voor DNA-onderzoek uiteindelijk geen bruikbaar DNA-profiel oplevert. De Poot: ‘Er gaat nu veel tijd en mankracht verloren met het analyseren van de sporen die uiteindelijk niets opleveren. Met een mobiel DNA-apparaat kan op de plaats delict al binnen 20 minuten worden bepaald of een spoor al of niet bruikbaar is. Door kennis daarover kunnen meer kansrijke sporen worden geselecteerd en kan er efficiënter worden gerechercheerd.’