De HvA  » Organisatie » Corporate Governance

De HvA als organisatie  Over de HvA

Leren Excelleren

Instellingsplan 2007 - 2010

Meer info over de toekomstvisie van de UvA en HvA

Corporate Governance

De Hogeschool van Amsterdam wordt in stand gehouden door de Stichting Hogeschool van Amsterdam. Deze stichting kent twee organen: de Raad van Toezicht en het College van Bestuur. Het College van Bestuur (CvB) van de Hogeschool van Amsterdam vormt een personele en bestuurlijke eenheid met het CvB van de Universiteit van Amsterdam. In het Instellingsplan 2007-2010 heeft het CvB aangegeven de samenwerking tussen beide instellingen in de komende jaren verder te willen intensiveren. Dit streven komt mede tot uiting in de inrichting van het bestuur.

Raad van Toezicht

De Raad van Toezicht (RvT) heeft een toezichthoudende taak en benoemt en ontslaat de leden van het College van Bestuur. De taken en bevoegdheden van de RvT zijn vastgelegd in de
statuten van de stichting Hogeschool van Amsterdam. De leden van de RvT worden benoemd en ontslagen door de leden van de RvT van de Universiteit van Amsterdam, die op hun beurt benoemd en ontslagen worden door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij de benoeming van de leden van de RvT worden de inspraakorganen van Hogeschool en Universiteit van Amsterdam betrokken. De voorzitter van de RvT van de Hogeschool van Amsterdam vervult deze functie ook bij de Universiteit van Amsterdam.

Auditcommissie

De Raad van Toezicht heeft een auditcommissie ingesteld om besluitvorming op financieel terrein voor te bereiden. De controlerend accountant is één van de vaste gesprekspartners van de auditcommissie.

Remuneratiecommissie

Als er een vacature ontstaat in het CvB, dan bereidt de door de RvT ingestelde remuneratiecommissie de besluitvorming voor met betrekking tot selectie en benoeming van een lid van het CvB. De medezeggenschapsraad van de hogeschool wordt bij deze selectie betrokken.

College van Bestuur

Het CvB van de Hogeschool van Amsterdam is tevens CvB van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is het CvB niet alleen (instellings)bestuur van de hogeschool, maar ook (statutair) bestuurder van de rechtspersoon die de hogeschool in stand houdt. Dit betekent onder meer dat (leden van) het CvB niet alleen de Hogeschool van Amsterdam, maar ook de stichting Hogeschool van Amsterdam vertegenwoordig(t)en. In sommige gevallen zijn leden van het CvB tevens bestuurder van andere rechtspersonen waar de Hogeschool van Amsterdam mee is verbonden. Deze bestuurslidmaatschappen zijn vrijwel steeds gekoppeld aan het lidmaatschap van het CvB van de Hogeschool van Amsterdam.

Branchecode Corporate Governance

Hogeschool en Universiteit van Amsterdam streven ernaar hun regelgeving op het terrein van Corporate Governance zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. Bij de toepassing en uitwerking van dit beleid betrekt de Hogeschool van Amsterdam dan ook zowel de branchecode voor hogescholen als die van de universiteiten. In dat kader moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de besluitvorminsprocessen van Hogeschool en Universiteit van Amsterdam onderling van elkaar verschillen.

In de statuten van de stichting Hogeschool van Amsterdam zijn een aantal wezenlijke beginselen van goed bestuur vastgelegd. Zo zijn de leden van de RvT en het CvB verplicht zich te onthouden van bemoeienissen die er toe leiden dat zij persoonlijk betrokken zijn bij leveringen, aannemingen en diensten voor de stichting. Ook bepaalde met name genoemde functies zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van deze organen van de Hogeschool van Amsterdam. Leden van de RvT zijn statutair verplicht nevenfuncties te melden.

De verhouding tussen de RvT en het CvB enerzijds en die tussen het CvB en de directie van organisatorische eenheden anderzijds zijn statutair vastgelegd en worden nader uitgewerkt in het bestuursreglement en de daarop gebaseerde procuratieregeling.

Bestuursreglement

In het bestuursreglement is een aantal taken en bevoegdheden van het CvB overgedragen aan de domeinvoorzitters. Dit zijn de taken en bevoegdheden die in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn toegekend aan de decaan van de faculteit van een universiteit. Mede hierdoor zijn de domeinvoorzitters van de Hogeschool van Amsterdam in een positie gebracht die vergelijkbaar is met die van de decanen van de Universiteit van Amsterdam.

Het bestuursreglement regelt tevens de samenstelling en de positie van de opleidingscommissie.

Wijzigingen in het bestuursreglement behoeven de goedkeuring van zowel de RvT als de medezeggenschapsraad van de Hogeschool van Amsterdam.

Procuratieregeling

In de procuratieregeling wordt voor een aantal functionarissen van de Hogeschool van Amsterdam de bevoegdheid geregeld om de hogeschool - onder voorwaarden - te mogen vertegenwoordigen, en tot welk bedrag en voor welke rechtshandelingen. Naast deze algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt in sommige gevallen ook gebruik gemaakt van speciale volmachten en/of aanvullende richtlijnen. Deze speciale volmachten en/of aanvullende richtlijnen zijn steeds afkomstig van het CvB en/of de algemeen directeur. Een aan een medewerker verstrekte volmacht kan op elk moment door het CvB worden ingetrokken. Aan de toekenning van een volmacht kan door een medewerker geen rechten worden ontleend.

De procuratieregeling kan op elk moment door het CvB worden gewijzigd.

Klokkenluidersregeling

De Hogeschool van Amsterdam kent een Klokkenluidersregeling. Deze regeling is identiek aan die van de Universiteit van Amsterdam. De Klokkenluidersregeling biedt rechtsbescherming aan medewerkers die een misstand bij de Hogeschool van Amsterdam willen aankaarten en draagt daarmee bij aan een veilig leef- en werkklimaat.

Marktactiviteiten

De door de Hogeschool van Amsterdam verrichte marktactiviteiten passen in de missie van de hogeschool. Nieuwe initiatieven op dit terrein worden mede getoetst aan de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit betekent onder meer dat deze activiteiten in lijn liggen met de activiteiten waarvoor de hogeschool een rijksbijdrage van de overheid ontvangt. De activiteiten verhogen de kwaliteit van het onderwijs, dragen bij aan de kennisoverdracht aan de maatschappij en sluiten aan op vastgestelde onderwijscurricula en onderzoekslijnen en/of ondersteunen die.