Hogeschool van Amsterdam

Autisme Spectrum Stoornis (ASS)

In het hoger onderwijs spreken we over hoogfunctionerende autisten. Het syndroom van Asperger is hier de bekendste vorm van. Voldoet iemand aan een aantal van de kenmerken binnen het autistisch sprectrum, maar is er geen sprake van Asperger, dan is er meestal sprake van PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder-Not Otherwise Specified). Beide vallen onder de categorie meervoudige ontwikkelingsstoornis (DSM IV), ook wel aangeduid als ASS (Autisme Spectrum Stoornis). ASS komt vooral bij mannen voor en is grotendeels erfelijk bepaald.

Kenmerken

Mensen met ASS hebben problemen met het verwerken van zintuiglijke prikkels (horen, zien, voelen, proeven en tast). Ze houden vast aan vaste patronen en kunnen stressgevoelig zijn voor afwijkende en nieuwe situaties. De ontwikkeling kan anders verlopen of verstoord zijn op het gebied van:

Sociale interactie

  • Ontwijkend/vreemd oogcontact
  • Sociaal inzicht, moeite met het oppikken van sociale codes
  • Ontbreken van wederkerigheid
  • Beperkt inlevingsvermogen
  • Moeite met interpretaties van emoties

Taal en communicatie

  • Weinig non-verbale communicatie
  • Moeite met abstractie
  • Ouwelijk, volwassen, hoogdravend taalgebruik
  • Echolalie (dwangmatige herhaling van woorden of zinnen van een gesprekspartner of een andere bron (bijvoorbeeld de radio)).

Motoriek

  • Houterig

Souplesse in denken en handelen

  • Weinig flexibel /moeite met veranderingen
  • Weinig verbeelding
  • Fixaties of fascinaties

Co-morbiditeit bij ASS

  • Epilepsie
  • Depressie (vaak gepest als kind)
  • Schizofrenie
  • OCD (Obsessief Compulsieve Disorder/Stoornis); ook wel bekend als dwangneurose of dwangstoornis

Gevolgen

De student is weinig flexibel en heeft dus behoefte aan structuur en duidelijkheid, bijvoorbeeld in opdrachten en over verwachtingen van anderen. Stress en vermoeidheid ontstaan bij afwijkende situaties en een overvloed aan prikkels, bijvoorbeeld bij het te laat beginnen van een college of een toets in een ander lokaal. Te veel informatie tegelijkertijd levert eveneens problemen op. Faalangst kan ontstaan door de combinatie van verminderd zelfvertrouwen, gebrek aan bevestiging en perfectionisme.

  • Bestuderen van leerstof
  • College volgen (aanwezigheid, informatie verwerken, aantekeningen maken)
  • Deelname aan werkgroepen (samenwerken en presenteren)
  • Individuele werkstukken
  • Stagebegeleiding en stagelopen
  • Tentamens maken
  • Plannen

  • Prikkelarme ruimtes
  • Individuele studieruimte
  • Aparte tentamenruimte
  • Computerruimte

Het is belangrijk dat er zo min mogelijk onverwachte dingen gebeuren. Beperking van lokaalwisselingen kunnen al veel helpen, maar ook:

  • Gebruik van prikkelarme ruimtes
  • Een tijdig vastgelegd onderwijsprogramma
  • Extra begeleiding bij het maken van een planning (wekelijks)
  • Rusturen inplannen
  • Kleine groepen
  • Opnemen van colleges

  • Vooraf beschikbaar stellen van lesstof
  • Duidelijke structuur in de les
  • Duidelijke feedback geven
  • Mogelijkheid tot vragen stellen per e-mail
  • Opnemen van colleges

  • Tijdwekker gebruiken
  • Actief studeren (onderstrepen, samenvatten, hardop lezen)
  • Duidelijke verwachtingen en mogelijkheden aangeven
  • Digitale agenda
  • Vaste partner voor practica en werkgroepen
  • Parttime stageplek
  • Beroeps- en interesse test doen (sommige studierichtingen en beroepen zijn minder geschikt dan andere)
  • Opnemen van colleges
  • Oordoppen gebruiken bij het maken van tentamens

Gepubliceerd door  Dienst Studentenzaken 22 april 2015