Hogeschool van Amsterdam

Vaststelling instellingscollegegeld

Voor een tweede bachelor- of masteropleiding, die start na afronding van een eerste bachelor- of masteropleiding, geldt (sinds 2010) dat je geen wettelijk collegegeld maar instellingscollegegeld betaalt. Dit is bepaald in artikel 7.46 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

De hoogte van het instellingscollegegeld wordt vastgesteld door het College van Bestuur en kan variëren per opleiding of per groep studenten. Het instellingscollegegeld mag niet lager zijn dan het wettelijk tarief.

Uitgangspunten

Een student die niet voldoet aan de voorwaarden voor het wettelijk collegegeld, voldoet ook niet aan de voorwaarden voor de bekostiging. Dit betekent dat de HvA géén Rijksbijdrage voor de inschrijving en voor het diploma van deze student ontvangt. Dit is een belangrijke overweging bij de vaststelling van de hoogte van het instellingscollegegeld.

In de tariefstelling maakt de HvA geen onderscheid tussen bekostigde opleidingen als het gaat om de hoogte van het instellingscollegegeld; er is sprake van één bedrag, waarbij de volgende uitgangspunten leidend zijn: eenvoud, toegankelijkheid en kostendekkendheid.

Advies van de medezeggenschapsraad

Bij aanpassing van het instellingscollegegeld vraagt het College van Bestuur instemming van de Centrale Medezeggenschapsraad (CMR) voorafgaande aan vaststelling voor het nieuwe studiejaar.

Gepubliceerd door  Administratief Centrum 12 november 2015