Hogeschool van Amsterdam

Trends: de student

Visie voor de langere termijn op opleiden van professionals in het hoger onderwijs

Iedere student heeft een combinatie van kenmerken en eigenschappen die hem of haar uniek maakt. Iedere student wil daarin erkend worden Het betekent niet dat studenten enorm van elkaar verschillen; het gaat vaak om nuances en gradaties.

Jongeren vinden het bijvoorbeeld steeds meer vanzelf sprekend om een massaproduct te personaliseren. Het blijft echter wel een massaproduct. Het gaat om het idee zaken een eigen invulling te kunnen geven. Het denken in doelgroepen werkt daarbij belemmerend. We focussen ons daarbij op één kernmerk van de student en baseren daar een aparte leerroute of specifiek aanbod op.

Individuele verschillen worden bepaald door kenmerken als vooropleiding, sociale en culturele achtergrond, ambitie, motivatie en talenten. Zo zijn er studenten die een studie combineren met een andere activiteit, zoals topsport, een baan of een eigen onderneming. Er zijn (steeds meer) studenten die beschikken over een gediagnosticeerde leer- of gedragsstoornis of een fysieke functiebeperking, die vanuit het basis- en middelbaar onderwijs inmiddels gewend zijn dat hiermee rekening wordt gehouden (Onderwijsraad, 2013). Er zijn studenten die extra ondersteuning op bepaalde gebieden nodig hebben en studenten die zich willen onderscheiden. Er zijn studenten die al een heel duidelijk beeld hebben wat ze willen gaan bijdragen aan de samenleving en er zijn studenten die alle opties nog open willen houden. 

Verschillen tussen studenten op basis van kenmerken zijn niet stabiel. Zo zien we dat vwo'ers in het voortgezet onderwijs meer training hebben gehad in cognitieve en algemene vaardigheden dan havo-  of mbo-studenten. Daarbij komt dat zij, vergeleken met de havo-student een jaar langer de tijd hebben gehad om deze vaardigheden te oefenen en de bijbehorende inhoudelijke kennis en algemene vaardigheden te verwerven. Dit maakt dat ze beter zijn toegerust voor de studie in het hbo. Na de propedeuse vervagen deze verschillen tussen vwo-ers en havo-mbo studenten echter in toenemende mate.

Het bieden van onderwijs kan hierbij aansluiten door te differentiëren in aspecten die voor studenten belangrijk zijn en in te spelen op hun wensen en behoeften. De individuele mogelijkheden van de student zouden veel meer het vertrekpunt van onderwijs moeten zijn. Tegelijkertijd is er behoefte aan regie en structuur. Dit kan studenten motiveren en haalt hen uit hun comfortzone. Het halen van bepaalde doelstellingen (eindkwalificaties) staat centraal, niet het uitgangspunt dat iedereen dezelfde doelstellingen op dezelfde manier en in dezelfde   tijdspanne bereikt. En als dat laatste wel gewenst is, is een betere differentiatie naar niveau een minimale vereiste (WRR, 2013). Als studenten bovendien steeds meer zelf financieel moeten bijdragen aan hun opleiding dan zullen ze kritischer worden en willen zij meer invloed op wat en hoe ze leren.

Conclusie

Nu steeds meer mensen een hoger onderwijsdiploma halen, is bovendien de noodzaak voor studenten om zich te onderscheiden ook groter geworden. Inspelen op verschillen tussen studenten wordt nu vaak gedaan door verschillende doelgroepen een verschillende leerroute aan te bieden (3-jarige VWO route, excellentieroute, topsportroute, afstudeervarianten etc.). Maar dit is uiteindelijk een heilloze weg. Het veronderstelt dat studenten op één kenmerk te onderscheiden zijn en dat daar één (vaste) route het beste op past. Het maakt het onderwijs inflexibel en kostbaar.

 

26 januari 2015