Hogeschool van Amsterdam

Trends: de arbeidsmarkt

Visie voor de langere termijn op opleiden van professionals in het hoger onderwijs

Volgens de WRR (2013)1 is de kernopdracht voor de samenleving het creëren van een 'lerende economie'. Dat betekent dat kennis en vaardigheden kunnen circuleren, niet alleen in onderwijsinstellingen, maar binnen en tussen allerlei instellingen, organisaties en bedrijven.

Een lerende economie is, aldus de WRR, 'een economie die is gebaseerd op het aanpassings- en absorptievermogen van alle individuen, bedrijven, organisaties en overheden'. De WRR ziet drie opgaven voor de toekomst: (1) de productiviteitsopgave: meer doen met minder mensen en minder kapitaal, (2) de internationale verwevenheid, en (3) de innovatieopgave. Innovatie vindt plaats in de hele keten (ieders inbreng is van belang); de omloopsnelheid wordt steeds groter en op voorhand staat niet vast welk type kennis en vaardigheden de meeste toegevoegde waarde hebben. De lerende economie zal ingrijpende gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt in onvoorspelbaarheid, homogeniteit en complexiteit.

Onvoorspelbare arbeidsmarkt

Wetenschap en technologie transformeren voortdurend de manier waarop we werken en leven en dit vraagt weer om sociale innovaties (Nowotny, 2012). Productie-  en organisatieprocessen veranderen in hoog tempo, functie-inhouden veranderen mee, beroepen verdwijnen en er komen nieuwe voor in de plaats. De problemen van de toekomst zijn nog niet bekend, en daarmee ook de benodigde kennis en vaardigheden niet (WRR, 2013).

Bauman2 spreekt in dit verband van een vloeibare samenleving. Daarin wordt ons leven niet langer bepaald door een traject van een levenslange, eenduidige beroepspraktijk. Grenzen tussen vakdisciplines, functies en kennisdomeinen zijn vloeibaar geworden en nemen steeds

nieuwe vormen aan. Welten3 heeft het gedachtengoed van Bauman verder uitgewerkt en zegt op Science guide: 'Tegen de achtergrond van deze snelle golfbewegingen van de vloeibare samenleving, dreigt het hbo slechts nog een mastodont te worden uit tijden waarin een beroepspraktijk duidelijk in te kaderen was”. Welten geeft aan dat veel opleidingen inmiddels niet meer denken in termen van traditionele beroepen, maar uitgaan van praktische kennisdomeinen. Maar deze kennisdomeinen blijven vaak streng afgebakend, vastgelegd in specifieke, meetbare competentie. Elk stukje kennis of gedrag van de studenten moet vervolgens worden afgevinkt. De ene soliditeit wordt daarmee ingeruild voor een andere. In een vloeibare samenleving werkt dit contraproductief, het maakt “studenten lui en inflexibel en verstoken van de creativiteit en visie die de vloeibare markt vereist”.

Als hoger onderwijs moet voorbereiden op “activiteiten die nu nog niet bestaan, met producten die wij nu nog niet kennen, in een wereld die wij niet kunnen voorspellen”4, dan pleit dat enerzijds voor permanent leren en anderzijds voor het aanleren van een manier van werken die studenten helpt om later onbekende vraagstukken op een goede manier aan te pakken. De arbeidsmarkt vraagt om een type werknemer die creativiteit en verbeelding combineert met pragmatisme (Bussemaker, 2014). Die kan samenwerken met mensen met diverse achtergronden. Die zich ontwikkelt tot een ‘creatieve dwarsdenker en constructieve neezegger’ (Bussemaker, 2014) ofwel een ‘competente rebel’ (Nowotny, 2012; Van der Boom, 2013). En hoewel misschien niet op voorhand te zeggen is welke kennis de meeste toegevoegde waarde zal hebben, is een onderzoekende aanpak en ‘kennis als grondhouding’5 essentieel. Studenten moeten bovendien leren kansen te zien, nadenken over hoe iets beter, sneller of goedkoper kan (WRR, 2013). Dit soort zaken leren ze niet door hieraan eenmalig aandacht te besteden, maar door studenten voortdurend met de gewenste manier van werken te confronteren, aan de hand van verschillende vraagstukken. Welke vraagstukken dit betreft, is daarbij minder van belang. Daarin zou de student (meer) kunnen kiezen.

Beroepen zijn niet homogeen

De beroepsstructuur en -cultuur die de (beginnende) beroepsbeoefenaar in het verleden kon corrigeren en ondersteunen zijn, zoals Bauman betoogt, meer vloeibaar en diffuser geworden.De pas afgestudeerde hbo'er zal - meer nog dan voorheen - de eigen aanpak en omgeving van hetwerk mee moeten creëren. De beroepsbeoefenaar moet zich kunnen aanpassen en over het vermogen beschikken om kennisdomeinen te overschrijden. Het multidisciplinair benaderen van (beroepsgerelateerde) vraagstukken is een wezenlijk onderdeel van een ontwikkelstrategie.

Schmidt6 spreekt over de ‘mythe van de homogene arbeidsmarkt’. Beroepen en functies kennen nu al meer variatie dan een opleiding doet voorkomen. Schmidt pleit daarom in het kader van toetsing voor een compensatieregeling: een student hoeft niet overal even goed in te zijn. Maar in het kader van talentmanagement is het zinvoller deze ‘mythe van de homogene arbeidsmarkt’ te vertalen naar: een student kan kiezen op welke aspecten van het beroep hij zich wil ontwikkelen en profileren. Dat is stimulerender dan onvoldoendes mogen halen op onderdelen waarin hij niet goed is. Als de ene functie de andere niet is, waarom moet elke student dan wel hetzelfde leren?

Op basis van het bovenstaande kunnen we stellen dat het hbo haar doel mist wanneer ze studenten op een solide manier voorbereidt op beroepen die echter zelf in hoog tempo aan het veranderen zijn (of zelfs verdwijnen). Terwijl tegelijkertijd nieuwe kansen, veelal cross-overs tussen voorheen gescheiden kennisdomeinen, zich aandienen. Vakkennis en vakmanschap blijft van groot belang, maar dit ontwikkelt zich naar een body of knowledge voor een bepaalde sector of branche, die de afzonderlijke beroepen overstijgt.

Beroepstaken worden steeds complexer

De complexiteit van veel beroepstaken neemt steeds meer toe en daarmee ook de eisen die aan afgestudeerden worden gesteld. Gevolg is dat er steeds meer kennis en vaardigheden in die zelfde vierjarige opleiding gestopt wordt. De kans op een oppervlakkige benadering is dan groot en de vraag is of dit het leren en de motivatie (en de kennis en kunde) ten goede komen.

Naast het kennisdomein van 'het beroep' en de erbij behorende specifieke vaardigheden (de harde kern van het 'vak’), zijn algemene vaardigheden van belang die de hbo'er in de beroepsgerelateerde omgeving kan inzetten. Daarbij denken we aan: onderzoekend vermogen, probleemoplossend vermogen, innovatief vermogen, samenwerken en reflectief vermogen.

Om succesvol te kunnen opereren in deze steeds veranderende contexten is naast vakmanschap in enge en brede zin een aantal persoonlijke eigenschappen bepalend. Deze eigenschappen zijn onder meer motivatie, nieuwsgierigheid, gedrevenheid, doorzettingsvermogen, veerkracht, kunnen omgaan met autoriteit, zelfbewustzijn, gevoel voor sociale normen.

Zou een student niet mogen kiezen op welke aspecten hij zich wil profileren en inhoudelijke diepgang aanbrengen, mits duidelijk is dat permanent leren een vanzelfsprekende noodzaak is geworden?

Conclusie

Vanuit het arbeidsmarktperspectief is te beargumenteren dat de student, meer dan nu het geval is, zijn eigen leertraject zou mogen samenstellen. Het kan dan gaan om keuzes in beroepsvraagstukken, keuzes in inhouden en keuzes in te realiseren eindkwalificaties (mits het eindniveau zoals uitgewerkt in Dublin Descriptoren en hbo-standaard leidend is). Op basis van het bovenstaande zal variëteit in profielen gaan ontstaan tussen sectoren en beroepsgroepen. In bepaalde sectoren, zoals communicatie, ict, kunnen individueel samengestelde beroepsprofielen ontstaan. In andere sectoren zoals de gezondheidszorg blijven gereguleerde beroepen bestaan, waarbij in het beroepsprofiel vastligt wat een beroepsfunctionaris moet kunnen en hoe hij activiteiten uitvoert. Voor alle leertrajecten geldt dat het gaat om: 1) vakmanschap, 2) algemene hbo vaardigheden en competenties, en 3) een onderzoekende en ondernemende grondhouding. 

1. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Naar een lerende economie, 2013

2. Zygmunt Bauman (1925) emeritus hoogleraar in de sociologie aan de universiteiten van Warschau, Tel-Aviv en Leeds is een van de meest vooraanstaande en invloedrijke sociale denkers ter wereld. Hij schreef een aantal publicaties over de huidige en toekomstige samenleving waaronder Liquid Modernity (2000).

3. Ruud Welten, Saxion- lector en docent Ethiek aan de Universiteit Tilburg, op ScienceGuide, 7 februari 2013

4. Dymph van der Boom, Universiteit en Hogeschool van Amsterdam, in haar Dies Natalis, 2013

5. Mensen moeten in staat zijn snel nieuwe kennis op te nemen en productief te maken (WRR, 2013). Van Lieshout (2013) noemt dit het vermogen om kennis te signaleren, die te verbinden met andere kennis en op de juiste wijze toepassen (‘absorptievermogen’). Economische g.roei heeft vooral te maken met deze wijze van omgaan met kennis, het hoeft dus niet altijd te gaan om nieuwe kennis. 

6. Henk Schmidt, hoogleraar Psychologie en oud-rector magnificus Eramus Universiteit, lezing HvA, oktober 2013.

27 januari 2015