Hogeschool van Amsterdam

Interview: Petra Smulders, Monique Pijls en Bert van Veldhuizen

‘We willen vooroplopen in onderwijsinnovatie, juist omdat we een lerarenopleiding zijn: teach what you preach.’

Petra Smulders (Opleidingsmanager Kenniscentrum en Masteropleidingen), Monique Pijls (hoofddocent Onderzoek) Bert van Veldhuizen; (hoofddocent) bespreken flexibilisering in de tweedegraads lerarenopleiding: ‘De doelgroep van de masteropleidingen bij DOO heeft bij uitstek behoefte aan flexibel onderwijs: de studenten werken naast de opleiding vier of vijf dagen in de week. Ze willen hun studie kunnen vertragen of versnellen, of alleen bepaalde delen van de opleiding volgen. Ook een goede aansluiting bij het werkveld is van groot belang: de studenten willen wat ze leren op de opleiding meteen kunnen gebruiken in hun werk, én andersom.’

Interview: Petra Smulders, Monique Pijls en Bert van Veldhuizen

Innovatie

Bij de masteropleidingen van DOO staat men helemaal achter  het rapport van de commissie-Rinnooy Kan over deeltijdonderwijs. ‘Mensen die in het onderwijs werken moeten continu aan hun ontwikkeling en professionalisering kunnen werken. Daarvoor is een flexibel onderwijsaanbod nodig.’ Voor werkende studenten is de mogelijkheid tot temporiseren van groot belang. Ze willen de opleiding in twee jaar kunnen doen in plaats van in drie jaar,of juist in vijf jaar. En niet iedereen wil een volledige opleiding volgen. Docenten die een aantal jaren terug hun bachelor gehaald hebben moeten in de gelegenheid zijn zich verder te bekwamen: door hun master te halen, of deelcertificaten.’

Verder is er behoefte aan meer keuzevrijheid. Er zijn negen masteropleidingen, DOO wil het makkelijker maken modules van andere opleidingen op te nemen in het studietraject. ‘De master pedagogiek heeft een heel diverse doelgroep: docenten in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het mbo en hbo, en daarnaast ook mensen die werkzaam zijn in jeugdzorgorganisaties. Er zijn nu slechts twee keuzes: onderwijs of zorg. Die twee trajecten willen we in kleinere eenheden onderverdelen, zodat studenten meer vrijheid krijgen hun eigen pakket samen te stellen. Op die manier kunnen we de master pedagogiek ook openstellen voor studenten van de eerstegraads lerarenopleidingen.’
Bij flexibilisering hoort in de visie van DOO ook activerende didactiek. ‘Het is belangrijk dat studenten veel actiever en meer voorbereid naar college komen. We willen geen hoorcolleges meer geven, maar instructie flexibel vormgeven, afgestemd op de inhoud en de betreffende studenten. We willen vooroplopen in deze innovaties, juist omdat we een lerarenopleiding zijn: teach what you preach. We leiden onze docenten op zoals wij willen dat zij zelf ook hun onderwijs gaan vormgeven. Zij moeten het voortouw gaan nemen in de onderwijsvernieuwing.’

De inzet van ICT speelt hierbij een belangrijk rol. ‘Daarmee kun je het onderwijs intensiveren. Voor het vak onderwijsvaardigheden zijn we nu een e-reader aan het maken, met als doel dat het een zelfstudiemodule wordt, een soort MOOC. De e-reader, die bestaat uit tekst, links, tools, kennisclips, is een aanzet daartoe. Het gaat om basiskennis die we eerst in de vorm van vijf hoorcolleges aanboden. Die willen we nu flexibel, tijdonafhankelijk aanbieden, zodat ze overal ingezet kunnen worden.’ 

‘Voor de vakmasters is plaats- en tijdonafhankelijkheid heel belangrijk. Er zijn in het land maar twee plaatsen waar deze masteropleidingen gevolgd kunnen worden, in Tilburg en Amsterdam. Studenten komen dus van ver weg en dan scheelt het een hoop tijd als je sommige studieonderdelen op afstand kunt doen.’

‘Daarnaast willen we ook meer rekening houden met de piektijden van onze studenten op hun werk. De piektijden op de HvA vielen daarmee altijd samen: toetsing in juni, terwijl het dan op de scholen waar onze studenten werken het drukst is. We willen onze toetsen dus op andere momenten plannen en ook meer spreiden in de tijd.’ 

Bert van Veldhuizen: ‘Maatwerk zit hem soms in kleine dingen. Deadlines voor het inleveren van producten moet je voor deeltijdstudenten niet op vrijdag maar op maandagochtend stellen; want zij werken in het weekend aan hun opleiding. 

Ook het het integreren van het werkveld in de opleiding is van groot belang voor de studenten van de masteropleidingen. Het mes snijdt aan twee kanten als studenten kennis die ze opdoen op de opleiding meteen in de praktijk kunnen toepassen, én omgekeerd. ‘De masteropleiding pedagogiek en het Centrum voor Nascholing werken nu samen met de docenten van twee basisscholen in Amsterdam Zuidoost aan schoolontwikkeling. De docenten van het schoolteam bieden we de mogelijkheid een master te halen. Ze volgen modules onderzoeksmethoden op de HvA, maar een deel van hun opleiding vindt op de school zelf plaats en wordt direct toegepast. Ze hebben bijvoorbeeld een aandeel in de voorbereiding voor de onderwijsvernieuwing op hun school, zoals door het uitvoeren van een literatuurverkenning.’ 

De rol van onderwijsonderzoek verandert ook. ‘Er is steeds meer aandacht voor, en het vindt veel meer plaats binnen de scholen. Scholen verzamelen al heel veel gegevens over leerlingen en hun ontwikkeling, maar die gegevens worden tot nu toe vooral op individueel niveau voor de leerling gebruikt. Het ligt voor de hand om deze data meer te gebruiken voor onderwijsonderzoek, bijvoorbeeld voor het analyseren van leerprocessen. Wij willen als kenniscentrum vooroplopen in het aanbieden van kennis over hoe je van deze gegevens gebruik kunt maken, ook hierin is samenwerking met het werkveld van groot belang.’
‘We zijn ook bezig met plannen voor een Ixperium: een centrum voor ICT, e-learning, de toepassing van robotica, digital whiteboards. Dit moet een kenniscentrum worden waarin de HvA, UvA en het werkveld samenwerken in onderwijsontwikkeling. We willen dat onze partners, de scholen, naar de HvA komen als ze iets willen ontwikkelen op het gebied van ICT en onderwijs, zodat we samen het Amsterdamse onderwijs verder kunnen brengen. Daarbij gaat het er niet zozeer om dat je steeds de nieuwste snufjes gebruikt, het gaat erom dat je materiaal zo ontwerpt dat het recht doet aan de verschillen tussen leerlingen. Daar kan ICT heel behulpzaam in zijn, maar ook heel gewone, traditionele hulpmiddelen kunnen effectief zijn.’

‘De innovatie heeft ook een internationale component. Onderdeel van het curriculum is een uitwisselingsproject met Zwitserland en Estland. Het is belangrijk met een andere bril naar je eigen situatie te leren kijken. Er zijn grote verschillen tussen onderwijsstelsels, en door naar het buitenland te gaan, krijgen studenten een scherper beeld van het stelsel waar ze zelf in werken.’

Interview: Petra Smulders, Monique Pijls en Bert van Veldhuizen

Wat is er nodig? 

De systemen die nu op de HvA gebruikt worden maken flexibilisering van het onderwijs niet makkelijk. ‘SIS is nog heel erg gedacht vanuit het curriculum. Het is nu de student die zich moet aanpassen aan het systeem, dat moet andersom. We moeten beginnen met een goede intake, en dan samen met de student zijn of haar individuele leerroute uitzetten.’ 
‘Als we met certificaten gaan werken moeten we binnen de modules scherper met deadlines gaan werken. Nu kun je als je als je als student bent ingeschreven onderdelen jaren laten openstaan. We moeten strakker gaan afspreken: als je met dit onderdeel start, moet je het dan en dan hebben afgerond, anders vervalt het.’

‘DLWO is lastig als het gaat om versiebeheer, rechtenbeheer. Daardoor gaan mensen omwegen verzinnen. De systemen moet veel gebruiksvriendelijker worden ingericht, veel meer gericht op flexibiliteit. We moeten  meer aansluiten bij de systemen die studenten zelf gebruiken. Studenten gebruiken niet DLWO als samenwerkingsomgeving, maar Google Docs. DLWO is gedacht vanuit de docent, studenten kunnen bijvoorbeeld geen discussies openen. Als je aansluit bij wat studenten gewend zijn wordt het veel gemakkelijker om te communiceren, documenten te delen, discussiëren.’

Voor flexibilisering is ook een andere inrichting van ruimtes nodig. ‘We hebben nu te veel kleine lokalen met te veel meubilair. De ruimtes moeten veel makkelijker te herinrichten zijn. Meer grote ruimtes, en tafels op wieltjes bijvoorbeeld. We moeten lokalen nu ook veel te lang van te voren reserveren. Je kunt niet snel een andere ruimte gebruiken, of een bijeenkomst plannen, alle lokalen zijn weken van tevoren geclaimd.’

Niet alle docenten zijn al even goed toegerust voor de innovatie. ‘We moeten eerst goed met een nulmeting vaststellen wat ieders ICT-kennisniveau is, en dan de gewenste ontwikkeling opnemen in een professionaliseringsplan. Daarnaast moeten docenten heel goed ondersteund worden. Je moet ze faciliteren, stimuleren, maar ook verleiden, door aan te sluiten bij waar ze mee bezig zijn en hun motivatie vandaan halen. Docenten moeten niet alleen professionaliseren door bijvoorbeeld nascholing te doen, ze moeten ondersteuning op maat krijgen, op de werkplek.’

‘Een goed voorbeeld is het project waarbij we samen een e-reader gingen schrijven. We hadden een tweedaagse in Rotterdam met vijf docenten, maar er was ook een ICT-ondersteuner mee. Daardoor konden we ons met de docenten op de inhoud richten en hoefden we ons niet bezig te houden met technische hindernissen. Het klinkt simpel, maar anders zouden we daar zeker op zijn vastgelopen.’

‘Essentiëler is dat voor veel docenten geldt ook dat ze nog moeten leren vanuit de student te denken. Voor ICT kun je nog hulp inroepen, maar die fundamentele omschakeling is alleen te maken door het zelf te doen en er met collega’s over te praten. Bij de masteropleidingen hebben we het voordeel van de kleinschaligheid. Daardoor kunnen we ons meer veroorloven. Op veel scholen heerst ergernis dat er zo weinig wordt gekeken naar problemen die kinderen hebben met leren. De aanpak hiervan begint met de manier waarop wij met onze studenten omgaan. We moeten werken vanuit twee principes: feedbackgoed organiseren, en een onderzoekende houding.’

‘We moeten ook veel meer buiten onze eigen domein kijken. Er is heel veel expertise binnen de HvA waar we veel meer gebruik van kunnen maken. En ook buiten de HvA. Contact met het werkveld en met andere instellingen is essentieel. Daarvoor is profilering nodig. We moeten vindbaar zijn, laten zien wat we doen. Het werkveld is ook benieuwd naar waar jonge studenten mee bezig zijn, er is sprake van vergrijzing van het lerarenberoep. Als HvA kunnen we daar een stimulans in zijn, bijvoorbeeld door belangstelling te wekken met het uitreiken van scriptieprijzen.’

‘Een goed voorbeeld is ook het vaknetwerk van wiskundealumni, dat bloeit, is een ontzettend professionele leergemeenschap. De HvA kan een belangrijke partner zijn in netwerken van docenten en daarmee zijn zichtbaarheid vergroten.’

29 januari 2015