Hogeschool van Amsterdam

Interview: Jeroen Prent (DEM)

‘Ik geloof niet in geleidelijk beginnen’

Jeroen Prent, opleidingsmanager Commerciële Economie, vertelt over blended learning in Commerciële Economie 2.0.

Innovatie

We waren niet tevreden over het studierendement. Dat nam steeds maar af. We vroegen ons af: hoe komt het dat studenten in het vierde jaar stof die uitgebreid aan de orde is gekomen in eerdere jaren niet kunnen toepassen? Hoe kunnen we studenten meer activeren?
Er waren docenten die cursussen didactiek gingen volgen, maar dat bood geen structurele oplossing. Een docent was nog altijd iemand die de deur van het lokaal achter zich dichttrekt, en wat vervolgens in dat lokaal gebeurt zie je niet.
Tegelijk verandert de buitenwereld en zeker het bedrijfsleven in hoog tempo, o.a. door alle digitale ontwikkelingen. Het was duidelijk dat we iets moesten, dat er echt een wending nodig was. Tegelijk waren we bezig met een fusie en werd er een nieuw landelijk opleidingsprofiel voor CE geformuleerd. Nu alles toch al op de schop ging, kregen we daarmee de kans onszelf en ons onderwijs opnieuw uit te vinden. Ook de organisatie en de cultuur kon mee in de veranderingen.

Wat doen jullie nu anders dan vroeger?

De verschillende subopleidingen (op Wenckebachweg en op Fraijlemaborg) hadden tot dit jaar elk hun eigen onderwijsconcept. Nu werken we allemaal volgens hetzelfde concept: blended learning, activerend onderwijs waarbij de hele leerpiramide aan bod komt.

Learning pyramid

Het hele pedagogische didactisch klimaat is daarmee veranderd. Het begint met de mindset, hoe we studenten tegemoet treden. De student is van consumer prosumer geworden – vergelijkbaar met hoe in het bedrijfsleven de positie van de klant is veranderd. Tegenwoordig worden producten werkendeweg, samen met de klant vormgegeven. 
Volgens het onderzoek van John Hattie zijn korte feedbackloops van belang, niet alleen voor de student, ook voor de docent, voor de opleidingsmanager, voor iedereen binnen de opleiding. 
Ook bieden we minder onderwijseenheden naast elkaar aan. Vroeger waren er soms wel acht onderwijseenheden in één blok, nu zijn dat er maximaal vijf. De eenheden zijn ook groter, en er zijn meer toetsen tussentijds: toetsen in week 4, 6 en 10. De toetsen zijn summatief, en er zit een opbouw in: in het begin gaat het meer om reproductie en begripsvorming, aan het eind gaat het naar meer toepassen. De laatste toets weegt het zwaarst. We zijn gestopt met het herkansen van deeltoetsen. Er is één geïntegreerde herkansing, die valt in de vakantie, zodat die niet concurreert met andere onderwerpen. 
Hoorcolleges worden zo min mogelijk gegeven. We werken steeds meer toe naar flipping in the classroom. Sommige docenten werken al helemaal op die manier: de kennisoverdracht vindt plaats via korte instructiefilmpjes die studenten als voorbereiding op de les moeten bekijken. De lestijd wordt besteed aan meer interactieve vormen van onderwijs.
De rol van de docent is sterk aan het veranderen. Docenten kunnen niet meer alle ontwikkelingen in hun vak bijhouden. Er zijn zoveel ontwikkelingen in het vak en in de technologie, dat is niet meer bij te benen. Docenten moeten zich specialiseren.  Een voordeel van de schaalgrootte van CE is dat je expertise kunt bundelen. Toetsing is bijvoorbeeld vakwerk, dat moet je niet versnipperen over docenten. Nu wordt een top-of-the-bill-toets voor 30  klassen ontwikkeld door een expertisegroep. Zo ook bij de ontwikkeling van lessen. De onderwijscontent wordt in teams ontwikkeld, er zijn geen verschillend vormgegeven onderwijsmodules naast elkaar. 

Hoe ziet het nieuwe onderwijs er concreet uit?

Wat voor ons belangrijk was is interactie stimuleren en actief leren. We misten een applicatie in de DLWO hiervoor. Feedbackfruits biedt softwaretools die het voor studenten en docenten mogelijk maken met elkaar te communiceren en kennis uit te wisselen. Er wordt gewerkt met korte feedbackloops. 
En er is een Facebook-achtig forum waarop studenten en docenten communiceren en discussies kunnen voeren. Je profiteert van de vragen die in andere klassen gesteld worden. Docenten zien meteen waar studenten moeite mee hebben en kunnen daarop inspelen. Dat geldt ook voor mij als opleidingsmanager: ik zie meteen de mening die studenten hebben over allerlei zaken binnen de opleiding. Ik sta directer met ze in contact en kan zelf ook reageren 
Na een tentamen krijgen studenten meteen een flitscollege online waarin het tentamen wordt nabesproken, nog vóór ze hun cijfer hebben gekregen. Op die manier beklijft de kennis beter, want als je eenmaal je cijfer hebt, is je interesse voor de stof verdwenen. 
In blok 2 doen we een pilot met gamification. We werken met BrandNewGame, een game die al langer gebruikt wordt bij Fontys Hogescholen in Tilburg. Daar zijn goede resultaten behaald, de rendementen zijn enorm gestegen. Zes klassen van dertig studenten doen eraan mee. In de game wordt het stellen en bedenken van vragen beloond. De verslavende elementen van gamen worden optimaal benut. Studenten kunnen battelen en zijn daarbij ongemerkt bezig met de leerstof. Er zijn allerlei leaderboards, er is altijd wel een klassement waarin je hoog scoort, bijvoorbeeld wie het meeste geld heeft verdiend, wie het meeste lef heeft getoond. De docenten vormen een klein team dat aan de achterkant van het systeem de kennis erin stopt. De docent van de klas heeft een modererende rol, beoordeelt de vragen van de studenten. 
De essentie is voor mij: het leerproces transparant maken. Als docent heb je veel directer zicht op waar de student mee bezig is. Daar heb je veel meer aan dan aan een evaluatieformulier dat aan het einde van een blok wordt ingevuld, dan ben je te laat om nog bij te sturen. 
Wat wij nu hebben is een echte learning community, waar op meerdere niveaus (per klas, per onderwerp) alles transparant is. We kunnen online elk moment in alle klassen kijken en zien wat er gebeurt. Ook docenten onderling spreken elkaar aan. De muurtjes tussen de koninkrijkjes zijn weg. Voor sommige docenten is dat nog wennen, maar de kwaliteit van het onderwijs gaat er uiteindelijk mee omhoog. Dat is een aspect dat ik van tevoren niet had bedacht: dat ook de docentprocessen hiermee inzichtelijker zouden worden.

Interview Jeroen Prent (DEM) 3

Er is dus meer interactie met de studenten bij de vormgeving van het onderwijs. Maar wie bepaalt de kaders?

Wij hebben voor onszelf wel kaders bedacht, maar vinden het belangrijk dat studenten hier zelf ook over nadenken. Wij hebben besloten om niet ons lijstje van 10 geboden bij de studenten te droppen maar laten ze per klas zelf de kaders te verzinnen. Uiteindelijk komen ze bijna op hetzelfde uit en ervaren ze meer eigenaarschap. Er is ruimte genoeg voor studenten om zelf keuzes te maken.  
Bijvoorbeeld de norm ‘je komt voorbereid in de les’.  
Een aantal docenten begon vroeger al een onderwijseenheid een cursus al met bespreken van de verwachtingen. Je zag bijvoorbeeld bij flipping in the classroomdat in het begin maar 6 van de 30 studenten zich hadden voorbereid. De rest kon daardoor niet meedoen met de les. Op het einde van de module hadden nog maar 4 studenten zich niet voorbereid. 

Hoe is de invoering verlopen?

Het onderwijs was nog niet af toen we dit jaar van start gingen. De docenten staan onder grote druk. In het eerste blok is gestart met een nieuw salesproject, waarbij studenten op pad moeten om koude acquisitie te doen. Ze moeten plaatsing in onze studentenkortingsapp STUDIS zien te verkopen aan bedrijven. De bedoeling was om de contracten te sluiten in salesboard, een professionele app. Deze bleek echter niet goed te werken op kleinere tablets met android.  En dan hadden we ook nog een nieuw CRM-systeem waarin studenten hun resultaten moeten bijhouden én een contentmanagementsysteem waarin klanten hun advertentie moeten oploaden.  
Voor de projectdocenten is ook alles nieuw. De 18 docenten die de module geven, móesten wel met elkaar aan de slag. Het was pompen of verzuipen. Dat geeft een enorme binding. Dat was niet de opzet, maar zo is het gegaan.  
We hebben gezegd: we kunnen wel gaan zitten wachten, maar dan lopen we straks weer overal achteraan. We gaan het gewoon ervaren. Dat is de dynamiek van de echte wereld. Er gebeurt ontzettend veel. Er zijn studenten die nog geen enkele verkoop hebben gerealiseerd en studenten die al 13 verkopen hebben gerealiseerd. Studenten én docenten zijn compleet uit hun comfortzone. Dat was geen bewuste keuze, maar dat gebeurt.  
En we moeten nu wel door. Docenten en studenten zijn zoekende, en het mooie is, ze móeten nu wel in gesprek met elkaar. Dat hebben we nog nooit zo gezien. Vroeger had elke docent zijn eigen koninkrijkje, nu worden ze daaruit gehaald.

Hoe is de ondersteuning van docenten geregeld?

Docenten waren niet afhankelijk van FeedbackFruits, ze konden gewoon beginnen en het onderwijs ging gewoon door, ook zonder FeedbackFruits. We hebben sessies georganiseerd, om te leren hoe je hiermee kon werken, maar sommige mensen durven het pas aan als ze het eerste bij anderen gezien hebben. Docenten helpen elkaar en de ambassadeurs van FeedbackFruits lopen voortdurend rond, begeleiden alles en zijn altijd bereikbaar via e-mail of helpdesk om support te bieden.    
Wat het vervangen van hoorcolleges door flipping in the classroom betreft, hebben we  onze ambitie nog niet bereikt. Dat komt omdat we de onderwijscontent samen wilden ontwikkelen, vanuit alle studievarianten, met het oog op draagvlak. Maar dat was een lastig proces, met zoveel mensen. Voor de ontwikkeling van het 2e jaar hebben we kleinere ontwikkelteams geformeerd. Er is nu voldoende vertrouwen dat die het op een goede manier gaan doen.  
Docenten hebben het nodig om door anderen geïnspireerd te worden en kennis te delen. Ik organiseer dat middels inspiratiesessies  waar collega’s  best practices laten zien zodat anderen ervan kunnen leren. Maar op een zeker moment moet elke docent de stap zetten naar de nieuwe onderwijsvorm. Ik geloof niet in geleidelijk beginnen. We zitten nu op een scharnierpunt. In blok 1 hadden we Feedbackfruits nog niet helemaal goed ingericht, maar het is de bedoeling dat tijdens blok 2, 3 en 4 er een stijgende lijn zichtbaar wordt in participatie door de docenten. En volgend jaar kunnen docenten niet meer zeggen ‘ik kan niet’ of ‘ik wil niet’.

Interview Jeroen Prent (DEM)

Wat is er nodig? 

Allereerst: vertrouwen. Handelingsvrijheid. Geen ellenlange procedures, maar experimenteerruimte. Zeker met een opleiding als CE móet je mee met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Vroeger was een bedrijf ook volgens het waterfall-model drie jaar bezig om een product te ontwikkelen, het moest helemaal af zijn voor het op de markt werd gebracht. Nu wordt er gewerkt met sprints en scrums, zijn er multidisciplinaire teams met proeftuintjes waarin wordt uitgeprobeerd wat er werkt en wat niet, liefst ook gelijk met input van klantzijde. Het vergt een compleet andere denkwijze, maar het kan niet anders, de technische ontwikkelingen gaan zo snel, als je wacht tot je een product helemaal hebt uitontwikkeld is de concurrentie je voor. Zo moet je ook in het onderwijs werken.   
Het lastige is wel: je kunt ook weer niet zeggen, laat duizend bloemen bloeien. Je moet niet met allemaal losse tooltjes gaan werken. Er moet iets overkoepelends zijn, er moet een richting gekozen worden, daarom hebben wij gekozen voor Feedbackfruits, daarin zit zo’n beetje alles wat wij nodig hebben.   
En wie beoordeelt dat dan? Je zou hopen dat een opleidingsmanager die inschatting kan maken, maar uiteindelijk heeft het ook met volume te maken, dus de mogelijkheid van een brede toepasbaarheid binnen de gehele HvA/UvA is wel wenselijk. Zo’n inschatting is niet eenvoudig te maken. 

Het tweede wat je nodig hebt is een multidisciplinair team dat meedenkt. Alle stakeholders vanuit de HvA moeten betrokken zijn, onderwijskundigen, techniek, bedrijfsbureau... Maar dat is meteen ook een risico: als de groep te groot wordt, kom je niet meer vooruit. Dus moet je je beperken tot essentiële elementen: mensen met onderwijskundig inzicht, en mensen met kennis van social media en ICT. Mensen die weten hoe docenten en studenten denken en werken, die echt vanuit de gebruiker denken. Dat zie je aan die jongens van FeedbackFruits, die denken in mogelijkheden en oplossingen, in plaats van in onmogelijkheden en beheersbaarheid. 

Dat is het derde wat je nodig hebt: ondersteuning, mensen die zorgen dat het ook echt werkt. En dat je daarvoor niet langs 10 commissies moet en 30 projectplannen moet schrijven, want dat vertraagt alleen maar. Feedbackfruits biedt momenteel goede ondersteuning met Campusambassadeurs. Docenten, studenten, iedereen kan online vragen stellen of bellen. Sommige dingen in het systeem zijn ook aangepast zodat ze beter werken. Je hebt een partij nodig die snel schakelt. Nu doet Feedbackfruits dat zelf nog maar dat verwacht ik uiteindelijk van ICTS.   
De ICT moet zo worden ingericht dat het past bij hoe studenten nu communiceren. In DLWO staat alleen de basisinformatie over de opleiding, de organisatie. A-tot-Z-lijsten, maar die gaan studenten echt niet helemaal doornemen. Die zijn gewend een zoekterm in te voeren, en als dat niet werkt vragen ze het aan elkaar, via social media. 

Heb je tips voor opleidingsmanagers die deze onderwijsvernieuwing ook willen doorvoeren?

Gewoon doen. Beginnen. Liefst met een big bang. Als je dingen te geleidelijk wilt invoeren, wordt het uiteindelijk moeilijker om je einddoel te bereiken omdat je niet over het kritieke punt komt: iedereen heeft het al zo druk en is al met van alles bezig. Zelfs de beste plannen kunnen daarop uiteindelijk stranden omdat er niet wordt doorgepakt in de implementatie en je daarmee verder achterop komt. In de huidige tijd is dat toch wel een risico, de technologische ontwikkeling in de buitenwereld raast immers voort.   
Als je gewoon begint gaat er natuurlijk van alles mis, ja. Maar daar kun je met elkaar veel van leren. Juist daarom heeft het bij ons gewerkt zoals het gewerkt heeft. We hebben nu in ieder geval docenten die met elkaar in gesprek zijn, en een platform waarop we met studenten communiceren. We wéten nu van elkaar welke problemen er zijn en kunnen samen op zoek naar oplossingen.

10 februari 2015