Hogeschool van Amsterdam

Interview: Hans Seubring en Hans Piket (DEM)

‘Deeltijdstudenten moet je zo veel mogelijk ontzorgen’

Opleidingsmanagers Hans Seubring en Hans Piket bespreken futureproof deeltijd onderwijs: ‘Misschien zijn werkende studenten wel de ideale studenten: zij kunnen de kennis van hun opleiding meteen in de praktijk toepassen, en wat ze op hun werk tegenkomen kunnen ze inbrengen op de opleiding. ‘Zo ontstaat een vliegwielwerking: een krachtig leerproces dat door voortdurende reflectie zichzelf steeds versterkt.’ Maar deeltijdstudenten hebben het wél heel druk. Voor het is het van extra belang om op maat bediend te worden.’

Hans Seubring

Hans Seubring

Innovatie

Recente publicaties (Zijlstra, Rinnooy Kan, en binnen de HvAVerhoef) erkennen het grote belang van deeltijd voor de Nederlandse economie. Voor succesvol onderwijs aan werkende studenten moeten deeltijdopleidingen de ruimte krijgen voor een meer op de doelgroep gerichte flexibiliteit en een daarbij passende, futureproof organisatie, vinden de voortrekkers van de deeltijdopleidingen bij DEM. ‘Deeltijdstudenten studeren bij ons voor een volgende carrièrestap: ze willen hun arbeidsmarktkansen verbeteren, zich professionaliseren, voorbereid zijn op het werk van morgen. De leeftijd van de deeltijdstudenten varieert van 21 tot 60 jaar, ze hebben vaak een gezin, een huis en een baan. Het is voor hen van belang om te kunnen studeren op maat: ze willen invloed op de inhoud en de werkvorm en studietempo, en fasering kunnen aanbrengen in de opleiding: in eigen tempo kunnen stapelen van modules.’

‘Ons onderwijs is al heel erg op de werkende professional toegesneden. We werken met een semesterstructuur: elk semester van 30 studiepunten heeft één thema (soms twee), waar de student dan een half jaar mee bezig is. Binnen zo’n semester krijgen de studenten voornamelijk opdrachten die zij op hun werk kunnen uitvoeren; voor het semester ‘finance voor bedrijfskundigen’ is dat bijvoorbeeld het maken van een risico-inventarisatie binnen de organisatie. De studenten kunnen de kennis die zij opdoen meteen toepassen en wat ze op hun werk tegenkomen, kunnen ze inbrengen in de opleiding. Zo ontstaat een vliegwielwerking: een krachtig leerproces dat door voortdurende reflectie zichzelf steeds versterkt.’

‘Wij vinden onderwijs passend flexibel als de onderwijsorganisatie in staat is de student centraal te stellen. Het ontzorgen van de student is daarvoor een van de belangrijkste succesfactoren. Ontzorgen betekent de organisatie zo inrichten voor de werkende volwassen student dat de instelling toegankelijk is, het onderwijsaanbod afgestemd is op het maatwerk dat de student vraagt en dat de daarmee samenhangende processen toch zo eenvoudig mogelijk zijn.’

‘Studenten zouden meer hun eigen semesterpakket moeten kunnen samenstellen, gericht op het verwezenlijken van de eigen aspiraties, ambities en carrière. EVC (erkenning van verworven competenties) inbedden in de onderwijsorganisatie zou kunnen leiden tot een individuele leerroute. Nu vindt EVC alleen ‘voor de poort’ plaats. We sluiten ons graag aan bij de aanbevelingen van Rinnooy Kan over het inrichten van een Steunpunt Validering.’

Stapelbare semesters bieden de mogelijkheid te temporiseren, studenten zouden langer of juist korter over de opleiding kunnen doen dan 4 jaar. Een student kan dan bijvoorbeeld beslissen om in elk kalenderjaar maar één semester te studeren. Voor elk semester zou er dan een certificaat moeten komen, en bij acht certificaten volgt het diploma. Over dat diploma zou langer dan vier jaar gedaan mogen worden zonder dat het consequenties heeft voor de bekostiging. Daar tegenover zou een student die een kortere tijd nodig heeft voor een diploma een financiële tegemoetkoming zouden moeten kunnen krijgen, waardoor er een stimulans uitgaat van diploma halen in zo kort mogelijke tijd. In een contract met de student zou dit in een plan van aanpak kunnen worden vastgelegd. Dit biedt meteen de mogelijkheid om studenten die interesse hebben alleen in één semester, een masterclass of summerschool een “fee” te laten betalen. Voor de onderwijsorganisatie betekent dit een overgang naar meer ondernemerschap.’ 

‘Ook de toenemende samenwerking met externe opdrachtgevers en met de werkomgeving van studenten vraagt om ondernemerschap. Het bedrijfsleven gaat meer en meer als partner en als klant functioneren. Er ontstaat een wisselwerking tussen student, onderwijs en bedrijfsleven. Niet alleen de regulier ingeschreven werkende student is onze klant, maar ook bedrijven (in-company trainingen en onderwijsaanbod), (internationale) externe opdrachtgevers en particuliere geïnteresseerden.’

‘Deze variëteit aan klanten stelt eisen aan de flexibele inrichting van het onderwijsaanbod. Semesters worden masterclasses of een summerschool, kunnen in delen of als geheel gevolgd worden gedurende 5 blokken in het jaar. Blok 5 wordt gevormd door de 10 weken zomervakantie. Het moment van aanvang van (delen van onderwijs) hangt af van vraag en aanbod.’

‘In september 2014 zijn we begonnen met samenwerking met een grote zorginstelling. Deze zorginstelling heeft 22.000 medewerkers en 1200 managers/coördinatoren, en zocht naar een onderwijsinstelling die wilde helpen een middlemanagementtraject op te zetten. De instelling levert daarvoor een deel van de docenten. De medewerkers kunnen de eerste 1 1⁄2 jaar van de opleiding op eigen locatie volgen en daarna bij ons een assessment krijgen en verder studeren. In de meeste gevallen hebben deze medewerkers al een HBO-opleiding, waardoor zij vrijstelling krijgen voor een minor. Daardoor kunnen ze in 1 1⁄2 of 2 jaar afstuderen.’

‘Als onderwijsorganisatie leer je van elke opdracht die je voor een opdrachtgever vervult. Het netwerk rondom de onderwijsorganisatie wordt vergroot. Het positieve effect van de spin-off draagt bij aan de aantrekkelijkheid van ons onderwijsaanbod en aan de duurzaamheid van ons deeltijdonderwijs.’

‘Voor futureproof onderwijs is ook samenwerking tussen verschillende disciplines nodig. De arbeidsmarkt is minder verkokerd dan ons opleidingsaanbod, en de maatschappij is zo complex dat vraagstukken niet meer vanuit één discipline kunnen worden opgelost. Om mensen goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt is meer multidisciplinariteit nodig. Bedrijfskunde, Commerciële Economie, HRM en Bedrijfseconomie kunnen allerlei ingrediënten voor een samenwerking bieden in de vorm van ‘businessstudies’. Ook vanuit andere domeinen is interesse voor samenwerking. Afgelopen jaar zijn we al gestart met een summerschool vanuit een samenwerking tussen DEM en DMCI.’ 

‘Ook de internationaliseringsagenda en de onderzoeksagenda van de HvA staan bij ons op het menu. Vanaf 2010 wordt systematisch voor externe opdrachtgevers onderzoek door studenten uitgevoerd. Nationale opdrachtgevers werden internationale opdrachtgevers, het onderzoeksgebied werd verlegd naar het buitenland. Nu zijn er vaste netwerken in verschillende regio’s binnen en buiten Europa waar samengewerkt wordt met partnerinstellingen om studenten te bekwamen in doen van onderzoek in een internationale context. Onze studenten werken samen met studenten die afkomstig zijn van andere disciplines aan een onderzoeksopdracht.’ 

‘Binnen de deeltijdopleidingen wordt wel ingezet op blended learning, maar dat is niet de kern van de innovatie die we nastreven. We werken al veel met webcolleges, maar voor deeltijdstudenten is sociale binding van groot belang: ze willen een professioneel netwerk opbouwen. Veel studenten kiezen juist voor onze opleiding omdat ze waarde hechten aan het bijwonen van de colleges. Colleges zijn niet verplicht maar hebben een grote toegevoegde waarde, ook al staat alle content online. Het gaat om de ontmoeting en de kennisuitwisseling tussen studenten en docenten, ook buiten de HvA. We bieden ook interactieve colleges: een partnerinstelling in het buitenland wordt een skype-sessie in het college gevlochten.

Hans Piket

Hans Piket

Wat is er nodig?

‘De deeltijdopleidingen zouden een eigen, op deeltijd gerichte aansturing willen hebben. In het realiseren van haar ambities voert de HvA de programma’s SLIM, SLANK en SLUITEND uit voor de vormgeving van het opleidingsprogramma en de inrichting van de onderwijsstructuur. Maar de implementatie van het programma SLANK knelt voor onderwijs aan werkende volwassenen. Dit programma is te veel afgestemd op de kenmerken van voltijdstudenten en op de volumes van voltijdopleidingen.’ 
‘Bij het doorvoeren van het besturingsmodel van de HvA wordt de deeltijdopleiding bovendien samengevoegd met de grote broer, de voltijdopleidingen, onder aansturing van een voltijdsmanager. Dat is desastreus voor het futureproof maken van de deeltijdopleidingen. Voltijdmanagers zijn niet bekend met de bijzondere inrichting van de deeltijdonderwijsorganisatie en hebben bij DEM al hun energie nodig voor de majeure operatie van de “transitie” (het samenvoegen van de vele voltijdvarianten). 
‘Ook bij het accreditatieproces is meer aandacht nodig voor het specifieke karakter van deeltijdopleidingen. Bij de huidige accreditatie is de voltijdmanager projectleider. Wanneer het aankomt op het leveren van de samenvatting in de Kritische Reflectie is 95% gewijd aan voltijd. Er is ook vanuit de HvA centraal geen aandacht voor de specifieke inrichting van deeltijd. Voorlopig een eigen accreditatie-traject binnen het Croho, en een benchmarking binnen het Croho-cluster landelijk zou wenselijk zijn.’ 
‘In de huidige, op voltijd gerichte wijze van accrediteren wordt gefocust op processen (leerdoelen, deelcompetenties, kernvakgebieden, contacttijd, enz.) en voor wat betreft de output op de kwaliteit van de afstudeeropdracht. De rijkdom die deeltijd heeft om in dialoog met het werkveld de kwaliteit van professioneel vakmanschap vast te stellen wordt hierdoor niet zichtbaar.’

‘We willen graag dat de DEM-deeltijdopleidingen fysiek bij elkaar blijven en dat deonderwijsorganisatie apart op de deeltijdgroep wordt afgestemd. In het domeinplan worden dan afspraken gemaakt hoe deeltijd zich past in de wettelijke en juridische kaders en hoe deeltijd efficiënt en passend onderwijsaanbod voor de verschillende doelgroepen verzorgt. Niet alleen de studenten zijn hierbij de stakeholders, ook het bedrijfsleven is partij.’ ‘In een apart gebouw voor deeltijd kunnen we onderwijs bieden gericht op volwassen studenten die al werken en een volgende stap in hun carrière willen maken. De systemen van de HvA zijn gericht op grote volumes, maar zijn daardoor te log. Deeltijdstudenten willen direct inzicht hebben in hun leerproces. Inschrijven voor een deeltijdopleiding, of inschrijven voor een semester of summerschool moet meer flexibel, meer toegankelijk en klantvriendelijk gemaakt worden. DLWO moet meer op eigen deeltijdterminologie en doelgroep afgestemd en gebruiksvriendelijk gemaakt worden. Randvoorwaarden zijn verder een goede bereikbaarheid met eigen en openbaar vervoer en voldoende (betaalbare) parkeerruimte in de naaste omgeving.’ 

‘Een eigen deeltijdlocatie met toegewijde medewerkers en staf maakt het makkelijker om de processen af te stemmen op deeltijdstudenten. Als we deeltijdstudenten maatwerk willen bieden, kunnen we dat alleen doen als we mensen inzetten die weten hoe binnen de HvA alle processen werken én de doelgroep begrijpen.’ 

‘Om ondernemerschap te stimuleren is een duidelijk eigen financieel kader nodig. Nu is het niet mogelijk om eigen weg in te slaan, omdat we ge- en verbonden zijn aan grote broer voltijd. Allereerst sneeuwt onze begroting onder vanwege het grote volumeverschil voltijd-deeltijd, maar ook gezamenlijk optrekken van de deeltijdvarianten wordt belemmerd.We willen graag dat de HvA ons de ruimte biedt maar ook faciliteert om te mogen ondernemen. We willen experimenteren met stapelen van modules, ons concept staat dit zonder verdere aanpassing toe. In de pilotfase houden we rekening met huidige regeling collegegelden, maar willen met studenten een contract kunnen aangaan voor volgen van bijvoorbeeld twee semesters. Financieel moet dit verder worden uitgewerkt.’ ‘In het kader van flexibiliseren van van de onderwijsprogramma's is van belang dat deeltijdopleidingen standaard een associate-degree binnen de bachelor mogen aanbieden. Een opleidingstraject van 4 jaar is voor velen een hoge toetredingsbarrière, zeker gezien het feit dat de meesten naast hun werk ook een sociaal leven hebben. Een opleidingstraject van 2 jaar is overzichtelijker. Daarna kan men even iets anders gaan doen.’ 

‘Tot slot dient de externe zichtbaarheid van deeltijdopleidingen sterk vergroot te worden. De externe communicatie en de website-uitingen zijn nu erg gericht op de voltijd. Een geïnteresseerde werkende die naast zijn werk een deeltijdopleiding wil gaan doen, dient meer volwassen te worden benaderd.’ 

2 april 2015