Hogeschool van Amsterdam

Interview: Geert Boosten en Pieter van Langen (DT)

‘We moeten als onderwijsinstelling ook fouten mogen maken. Dat is de enige manier om te leren.’

Geert Boosten (opleidingsmanager aviation) en Pieter van Langen (projectmanager en docent aviation) vertellen over futureproof onderwijs bij opleiding Aviation.

Geert Boosten

Geert Boosten

Innovatie

‘Future-proof onderwijs betekent: een curriculum dat constant gericht is op toekomstige vragen in de beroepspraktijk. De veranderingen in de industrie gaan zo hard, dat wij het curriculum voortdurend moeten aanpassen. De professional die wij opleiden moet de komende 15 jaar de uitdagingen die zich voordoen in de luchtvaartindustrie aankunnen. 
Voor de HvA geldt net als voor alle traditionele onderwijsinstellingen dat we het risico lopen dat onzemeerwaarde verdwijnt. Wat voegt de HvA nog toe als je overal MOOCs kunt inkopen en door die te stapelen hetzelfde kennisniveau kunt bereiken?’

‘Het traditionele onderwijs onderscheidt zich door face-to-face-contact, individuele begeleiding. Maar over een paar jaar kan dat ook allemaal via Skype. Er is een bedrijf dat voor een luchtvaartmaatschappij online-lessen voor piloten ontwikkeld heeft. Die lessen kunnen de piloten overal ter wereld volgen, als ze ergens op een hotelkamer zitten bijvoorbeeld. De individuele begeleiding is helemaal gevirtualiseerd. De lessen kosten 80 euro per student. Voorbeelden als deze maken wel duidelijk dat wij niet het monopolie op onderwijs hebben. Het is niet moeilijk scenario’s te verzinnen waarin we als HvA overbodig worden. Een bedrijf als Google kan ook heel makkelijk kennis ontwikkelen over het efficiënt inrichten van luchthavens, en daarover onderwijs aanbieden waar wij alleen maar van kunnen dromen. Dus is het van belang heel goed terug te redeneren: wat is onze meerwaarde, wat hebben we nodig om die te behouden.’

‘De meerwaarde van de opleiding aviation ligt erin dat we zulke nauwe relaties hebben met de luchtvaartindustrie. Dat is iets dat je niet los op de markt kunt inkopen. We moeten onze focus verleggen. Behalve op studenten afkomstig van mbo, havo en vwo moeten we ons meer richten op de training en scholing van mensen die al in de praktijk bezig zijn. Ook onderzoek doen is een belangrijk speerpunt, evenals het bieden van “een leven lang leren” aan mensen die al in de industrie werkzaam zijn.’

Geert Boosten en Pieter van Langen cockpit

Geert Boosten en Pieter van Langen

‘Voor future-proof onderwijs zijn drie o’s nodig: onderwijs, onderzoek en ontmoeting. Met “ontmoeting” bedoelen we dat de beroepspraktijk voortdurend binnen de opleiding aanwezig moet zijn. We ontmoeten de aviationsector niet alleen op congressen, maar zijn samen met de sector bezig met het ontwikkelen van kennis. Zo helpen we in Lelystad met de ontwikkeling van de luchthaven, we onderzoeken bijvoorbeeld hoe onderhoudsbedrijven efficiënt kunnen functioneren.’

‘Het eerste en tweede jaar van de opleiding is aanbodgestuurd, maar het derde en vierde jaar vraaggestuurd. We houden het eerste en tweede jaar zo simpel en strak georganiseerd mogelijk, juist om in het docententeam voor het derde en vierde jaar ruimte te maken voor flexibiliteit. Wel zorgen we ervoor dat ook de eerste- en tweedejaars met de beroepspraktijk in aanraking komen, door elke vrijdag een gastlezing te organiseren door iemand uit het bedrijfsleven.’

‘Bij future-proof onderwijs hoort blended learning en flipping the classroom. Daarvoor heb je infrastructuur nodig, zoals opnamestudio’s, de juiste ICT, lokalen die geschikt zijn voor discussie. Maar belangrijker is een andere vorm van lesgeven, anders beoordelen, anders met studenten omgaan. Dat behelst veel meer dan het naar binnen dragen van filmpjes en computertjes. Het gaat om het opnieuw uitvinden van de rol van de docent.
In het eerste jaar beperkt blended learning zich nu nog tot kleine experimenten. In vier weken  behandelen we acht kernthema’s, bij sommige daarvan wordt gewerkt met instructiefilmpjes, ook maken we gebruik van een airlinegame. Maar dat zijn kleine onderdeeltjes, complementair aan bestaande vormen van onderwijsaanbod. De vervolgslag die we willen maken is een volledige conceptuele omslag van het eerste jaar. Wat we willen doen is een omgeving creëren waarin de student de kennis komt halen die hij nodig heeft. Dit nog steeds binnen een strak programma, maar binnen een thema dat vier weken duurt kan de student de volgorde van de studieonderdelen zelf kiezen.’

‘We willen geen hoorcolleges meer en ook geen werkcolleges waarbij de docent in control is. Die willen we vervangen door filmpjes, zelftesten waarmee studenten zich kunnen voorbereiden, zodat de contactmomenten kunnen worden benut voor het ingaan op vragen, anticiperen op problemen, verdieping, extra stof. College geven is een veilige onderwijsvorm voor docenten omdat die daarbij volledige controle hebben over de inhoud. Bij flipping the classroom is de docent niet meer in control, je weet niet met welke vragen studenten zullen komen. Dat vereist veel van de vakkennis. En ook van de durf om als docent te zeggen ‘dit weet ik niet’, ‘dit ga ik uitzoeken’.’

‘Een belangrijk onderdeel van futureproof onderwijs is ook internationalisering, aansluiting zoeken  bij de dynamiek in andere delen van de wereld. We zijn in Nederland nogal geneigd tot navelstaren. We moeten niet binnen Amsterdam blijven, maar kijken naar Azië, waar onderwijsinstellingen met duizenden studenten zijn die zich in razend tempo ontwikkelen.’

‘De voortdurende aanpassing van het curriculum levert ook een voortdurend spanningsveld op. Vanuit het docententeam voelen we ook de verantwoordelijkheid om de basiskennis en basisvaardigheden van de nieuwe professionals te bewaken. De nieuwe ontwikkelingen in de industrie worden beschreven in onderzoeksartikelen die pas goed te begrijpen zijn als je op het eindniveau van de opleiding bent. Om daar te komen heb je wel eerst de basiskennis nodig. Tegelijk willen we niet alleen het vierde jaar van de opleiding future-proof inrichten.’
‘In het eerste jaar willen we de bas-norm op 60 studiepunten leggen. We willen dat studenten met een schone lei beginnen aan de hoofdfase. Dat maakt het ook mogelijk meer docenturen aan het derde en vierde jaar te besteden. Heel veel hangt af van de kwaliteit van docenten. Die zijn allemaal afkomstig uit het beroepsveld, en we moeten ervoor zorgen dat ze daarmee aansluiting blijven houden, anders gaan ze “in het verleden doceren.Je kunt mensen up-to-date houden door ze mee te laten draaien in de praktijk, zo lopen er docenten stage op Schiphol, in Lelystad en Genève. Ook door docenten de mogelijkheid geven onderzoek te doen, houden ze contact met ontwikkelingen in de beroepspraktijk.’

‘Het is de vraag of bij deze nieuwe didactische aanpak onze traditionele manier van toetsen nog wel voldoende is. We willen ons in plaats van kennistoetsen  meer richten op het toepassen van kennis, en zoeken naar manieren om onze toetsen daarop aan te passen. Hoe kun je bijvoorbeeld leerstof assessen die studenten door gaming tot zich nemen? Hoe kunnen we onze leerdoelen definiëren en meten of ze bereikt worden? Wat dat betreft kunnen we veel leren van de praktijk in de luchtvaartwereld, waar veel aan serious gaming wordt gedaan, bijvoorbeeld bij TNO en NLR (het Nationale Lucht- en Ruimtevaarlaboratorium).’

‘Vooral in het derde jaar wordt steeds meer aan gaming gedaan, in de ruimste zin van het woord. Het hoeven niet altijd 3D-computerprogramma’s te zijn. We maken bijvoorbeeld gebruik van een door TNO ontwikkeld bordspel over security op luchthavens, waarbij studenten discussiëren over beslissingsmodellen.’

Pieter van Langen

Pieter van Langen

Wat is er nodig? 

‘Voor een flexibel onderwijs is ook een flexibel personeelsbeleid nodig. Regels moeten niet te star worden toegepast. Het is goed dat docenten in principe hun master gehaald moeten hebben om les te geven aan de HvA, maar in sommige vakgebieden, zoals het vliegtuigonderhoud, zijn dan geen goede docenten te vinden. Dat zijn alleen hbo-ers, maar die hebben vaak wel heel veel kennis en ervaring. Het zou mogelijk moeten zijn dat elke opleiding eigen indicatoren formuleert voor wat een goede docent is, die passen bij de ambitie van de opleiding. Daarnaast moet er veel meer ruimte zijn voor professionalisering, om bijvoorbeeld docentstages te faciliteren. Nu is er maar 40 uur per docent beschikbaar, dat moet veel meer worden. Je moet ook onderkennen dat niet iedere docent geschikt is om deze onderwijsvernieuwing te realiseren. Het zou makkelijker mogelijk moeten zijn om het personeelsbestand te verversen.’

‘Wat ook minder star moet worden is de indeling van het curriculum, met het vaste aantal vakantiedagen. We werken in een industrie die 24 uur per dag, 365 dagen per jaar actief is, dat zou voor onze opleiding ook moeten gelden. In september als we starten hebben we tekort aan capaciteit, maar dan beginnen er studenten uit te vallen, en vanaf februari hebben we capaciteit over. Dat betekent dat je eigenlijk geld weggooit,  daar zou je heel wat docenten mee kunnen scholen.’

‘Voor het realiseren van blended learning hebben we meer onderwijskundige ondersteuning nodig: coaching op het gebied van ICT. Die ondersteuning moet flexibeler zijn dan nu het geval is. Dat geldt ook voor het inplannen van ruimtes. Voor professional Masters en korte cursussen voor het bedrijfsleven is soms ineens een week lang een contactruimte nodig. Dat past heel lastig in de bestaande structuur van plannen in doorlopende reeksen.’

‘Omdat co-makership in onderwijs gewoner wordt, samenwerking met externe partijen, zoals nu met het NLR en TNO, moet de manier waarop we onze kwaliteit bewaken ook veranderen. Diekwaliteitsbewaking is nu te intern gericht. Het moet gaan om beheersen in plaats van om controleren, zoals nu de trend is. Nu worden er als iets misgaat wel een heleboel nieuwe regels bedacht, maar die worden niet gehandhaafd omdat het er te veel zijn. Vervolgens kiest iedereen een eigen setje regels om zich aan te houden.’ De gehele back-office van de organisatie zou meer internationaal georiënteerd moeten worden. Nu is het al een uitdaging om een medewerker met een niet-Nederlandse nationaliteit zijn salaris uit te betalen. De website voor medewerkers is volledig Nederlandstalig, en dat geldt ook voor het OER.’

‘Voor de samenwerking tussen onderwijs en onderzoek ontbreekt in de governancestructuur een linking pin. Daar moeten we goed over nadenken, hoe we onderwijs en onderzoek beter met elkaar kunnen verbinden. Er is een forse slag te maken om te profiteren van de extra kennis en know-how die we opdoen door onderzoek te verrichten. Onderzoek moet een speerpunt zijn: het is de reden waarom het bedrijfsleven met ons wil samenwerken, waarom je bij bedrijven binnenkomt, waardoor je je van andere partijen kunt onderscheiden.’

‘Al met al brengt flexiblisering van het onderwijs vragen met zich mee die dwars door alle structuren en afbakeningen heengaan. Je kunt niet tevoren alles wat je onderneemt met een jurist gaan doornemen. Belangrijk is dat we durven experimenteren. We moeten ook nat durven gaan. Fouten maken is de enige manier om te leren. En het zou raar zijn als we als onderwijsinstelling onszelf zouden verbieden om te leren.’

2 april 2015