Hogeschool van Amsterdam

SPH deeltijd

Geen betere leerschool dan de praktijk! Onze studenten lopen dan ook stage binnen verschillende instellingen. Zo ook vanuit de deeltijdopleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening.

Een professionele sociaal pedagogische hulpverlener werkt met mensen van jong tot oud, die begeleiding, behandeling, ondersteuning en/of verzorging nodig hebben in hun thuissituatie of instelling. Dit vergt bepaalde competenties van de hulpverleners. De stages die de studenten lopen hebben tot doel ze in de praktijk te laten werken aan de competenties die zij moeten bezitten als beginnende beroepskracht. Interesse in zo'n stagiair? U leest er hier alles over.

De opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening is een deeltijdopleiding. Dit betekent dat de student per studiejaar tenminste achttien uur per week, gedurende veertig weken, betaald werkzaam is in een door de opleiding relevant geachte werksituatie. Tijdens de propedeuse mag het ook onbetaald werk zijn, maar dan wel met dezelfde taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden als bij een betaalde baan.

Dankzij de stages beschikken de deeltijdstudenten al vanaf het begin van de opleiding over relevante beroepservaring. Deze relevantie is uiteraard wel afhankelijk van de omvang en de kwaliteit van de praktijkplaats. Inhoudelijk moet de praktijkplaats aansluiten bij de doelstellingen die bij elk leerjaar horen. Zo moet de praktijk in het eerste jaar van de hoofdfase beroepsoriëntatie mogelijk maken. In het tweede jaar moet de student een integrale SPH-functie kunnen vervullen. En het derde jaar staat in het teken van de beroepsontwikkeling. Daarom moet de praktijk, met andere woorden: het werk van de student, een zogenaamde SPH-praktijk zijn. De student is zelf verantwoordelijk voor het regelen van een stageplaats en het kunnen uitvoeren van bij de opleiding behorende taken.

Aan de praktijk tijdens de propedeuse worden bepaalde eisen gesteld. Zo moet de student werkzaam zijn in een functie binnen een instelling of bedrijf die zich bezighoudt met welzijnsactiviteiten. Hierbij kan gedacht worden aan instellingen binnen het welzijnswerk, de gezondheidszorg, buurthuizen en vrijwilligersorganisaties die zich inzetten voor bepaalde doelgroepen. Daarnaast gelden er de volgende richtlijnen:

  • Contact cliënten: tijdens het werk dient er regelmatig contact te zijn met cliënten. Zo kunnen basisvaardigheden in de omgang met de doelgroep geleerd worden;
  • Werkoverleg: de student werkt binnen een organisatorische eenheid (team, staf), waarin mogelijkheden van overleg, consult en planning zijn;
  • Toestemming: de praktijkinstelling stemt in met het feit dat de student de opleiding volgt en verleent de student de mogelijkheid om zicht te krijgen op de gehele instelling en informatie over de instelling te gebruiken voor studieopdrachten;
  • Praktijkbegeleiding: de student heeft in geval van een onbetaalde praktijkleerplaats minimaal eens per twee weken praktijkbegeleiding van een op hbo-niveau gekwalificeerde beroepskracht;
  • Contactpersoon: indien er sprake is van betaald werk, dan moet er een contactpersoon zijn. Overlegvormen waarin de student reflecteert op zijn werk, worden aanbevolen, liefst via een vorm van werkbegeleiding, intervisie of collegiaal consult;
  • Relatie andere vrijwilligers: als de student een praktijkleerplaats heeft bij een vrijwilligersorganisatie moeten er duidelijke afspraken zijn over de relatie tussen de student in opleiding en andere vrijwilligers.

De instellingseisen

Allereerst moet de praktijkplaats van de student zich bevinden binnen of uitgaan van een erkende instelling voor professionele hulp- of dienstverlening. Deze instelling kan zowel gericht zijn op het nastreven van veranderingsprocessen als op het verlenen van op zorg gerichte hulp. Verblijfsinstellingen komen ook in aanmerking. Deze instellingen kunnen zich toeleggen op de hulpverlening aan één of meerdere leeftijdscategorieën. Hierbij gelden geen uitsluitingen. Wel dient er sprake te zijn van hulp aan mensen, dit kunnen zowel individuen als groepen zijn, die langdurende of structurele problemen hebben. De instellingen kunnen zich zowel op preventie als op ambulante en (semi)residentiële hulp- of dienstverlening richten. Combinaties van deze vormen zijn ook mogelijk.

Betrokkenheid telt

Om maximaal te kunnen leren tijdens de praktijkperiode, moet de student actief betrokken zijn bij het adviseren, begeleiden, zorg uitoefenen en behandelen van cliënten in hun leefsituatie. Het op indirecte wijze betrokken zijn kan overigens ook als praktijkleerplaats gelden. De functie moet dan wel gericht zijn op de begeleiding van medewerkers die bovenvermelde activiteiten uitvoeren. Het hoofdzakelijk op indirecte wijze betrokken zijn middels het verrichten van huishoudelijke, administratieve of somatisch verpleegkundige of verzorgende taken is geen relevante praktijkervaring.

Overleg, consult en planning moet mogelijk zijn

De student moet werken binnen een organisatorische eenheid (team, staf). Hierin moeten diverse mogelijkheden van overleg, consult en planning worden aangeboden. De student moet tijdens de opleidingsperiode mogelijkheden hebben om actief betrokken te zijn bij hulp- of dienstverleningsactiviteiten. Al naar gelang de opleidingsfase kunnen deze ingewikkelder van aard worden.

Zicht op intern functioneren van de instelling

De student moet in de gelegenheid worden gesteld, of neemt daartoe zelf het initiatief, om zicht te krijgen op het intern functioneren van de hulp- of dienstverleningsinstelling. Zo moet hij toegang hebben tot bijvoorbeeld externe contacten, beleidsontwikkeling en de visie die de instelling heeft op het betreffende veld van zorg en haar taakstelling en uitvoering daarbinnen. De instelling steunt de student bij het volgen van de opleiding en de realisering van het praktijkleerproces.

12 september 2014