Hogeschool van Amsterdam

Kenniscentrum Techniek

Grond is publiek bezit – column Vitale Stad

Artikel
column-peter-de-bois2

Grond is altijd handig, dan heb je wat. Beter nog dan stenen, want die kunnen vergaan. Dat is sinds de agrarische revolutie een soort boerenwijsheid, die nog steeds opgaat. Het meest extreem zie je het in oorlogsgebieden: bewoners worden verjaagd en gedood, huizen verbrand en vernietigd, maar uiteindelijk komen de mensen terug naar hun (geboorte)grond.

De naoorlogse groei in mensen en welvaart heeft in Nederland geleid tot een actieve en daarmee lucratieve handel in grond. Iedereen deed eraan mee, vrijwel niemand uitgezonderd. Je kon niet anders, wilde je de boot niet missen. Voordat agrarische grond naar bouwgrond was getransformeerd, hadden vele partijen er al flink aan verdiend. Een soort piramidespel eigenlijk.

Op basis van onze open-planningsstructuur en periodieke beleidsprogramma’s waren de staat en de steden indirect zowel initiator van deze processen als slachtoffer van de gevolgen. Stedelijke ontwikkeling werd niet alleen bepaald door doelmatigheid, nut, algemeen belang en fysiek-ruimtelijke logica, maar ook door feitelijke grondposities van particulieren, eigendomsverhoudingen, grondwaarden en maakbaarheid. In vele gevallen blijken die parameters niet de meest effectieve randvoorwaarden te leveren voor een effectieve stedelijke vitaliteit van die gebieden, noch voor hun toegevoegde waarde in relatie tot het bestaand stedelijke gebieden en waardecreatie in het algemeen. We kunnen denken aan diverse vinexlocaties en buitenwijken, zoals die van Amersfoort en andere steden.

De ‘waarde’ van grond zou primair gebaseerd moeten zijn op de wijze waarop het als toekomstig stedelijk gebied een vitale bijdrage kan leveren aan de stad als geheel. Die ‘waarde’ gebaseerd op de samenhang tussen sociaal-economische en fysieke structuren lijkt secundair geworden. Grond is de geldkraan van de stad geworden en heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de fragmentatie van stedelijke structuren. En in vele gevallen is de uiteindelijke prijs die ervoor is betaald ook nog eens te gering voor het op lange termijn onderhouden van dat gebied en het faciliteren van die relatie met de stad. Dat wil niet zeggen dat de prijzen te laag waren, integendeel. Maar het grootste gewin vloeide niet in de kas van de gemeente, die de eindverantwoording heeft voor instandhouding op de lange termijn en belang heeft bij een kwaliteit die ertoe doet.

Dit verdienmodel als polderresultaat ligt verankerd in onze wet- en regelgeving en beschermt partijen wederzijds, terwijl de vraag naar flexibiliteit & adaptiviteit en de vitale effectiviteit nu van urgent belang is. Op de top van de markt hebben steden, beleggers en projectontwikkelaars zich in hun jacht naar potentieel gewin suf gekocht aan grond, met alle gevolgen van dien. Vele grondposities hebben hun waarde verloren, analoog aan die van de bedrijventerreinen zo hier en daar.

De burger is in feite gemeenschappelijk eigenaar van ogenschijnlijk onbruikbare gronden. Grond is naast een individueel ook een publiek bezit. In de wijze waarop wij er als samenleving mee omgaan, is het van invloed op de zekerheidsbasis van bewoners en gebruikers van de stad als geheel, en daarmee medebepalend voor het democratische gehalte van die samenleving.

Laten we als burger en gemeenschappelijk eigenaar van gemeentelijke gronden onze rol ‘terugeisen’ en mede vorm gaan geven aan andere, meer dan de gebruikelijke projectmatige invulling ervan. Laten we het een toegevoegde actuele kwaliteit geven op basis van vitaal meervoudig, intensief gemeenschappelijk gebruik. Laten we als bewoner en eigenaar van de stad onze taak serieus nemen.

Titel: Hoofdredactionele column Vitale Stad

Soort publicatie : Column

Auteur : Peter de Bois

Uitgever : Elba Media

Publicatiedatum : 2012 nr . 3

Gepubliceerd door  Urban Technology 30 september 2012