Hogeschool van Amsterdam

Iets betekenen voor de stad, interview met decaan Tillie

Longread over praktijkgericht onderzoek

3 okt 2018 00:00 | Afdeling Communicatie

De Hogeschool van Amsterdam noemt zich een kennisinstituut. Onderzoek maakt daar een steeds belangrijker onderdeel van uit. Een gesprek met decaan Jean Tillie over het laboratorium dat Amsterdam is.

Jean Tillie is decaan van de faculteit Maatschappij en Recht van de HvA. Daarnaast is hij hoogleraar Political Science, in het bijzonder Diversity and Political Integration, aan de faculteit Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA).

De Hogeschool van Amsterdam staat bekend om het praktijkonderwijs. In hoeverre is dat terecht?

‘Lange tijd richtte de HvA zich op onderwijs en op de praktijk. Ruim tien jaar geleden is onderzoek daar nadrukkelijk bijgekomen. Het onderzoek dat onze medewerkers en studenten uitvoeren is praktijkgericht. Het leidt niet alleen tot nieuwe kennis die we kunnen inzetten in het onderwijs, het biedt ook inzicht om de manieren waarop gewerkt wordt te veranderen. We streven nieuwe manieren van werken na die evidence based zijn, waarbij we ambtenaren, zorgverleners, ondernemers helpen hun dagelijkse handelen te verbeteren.’

Waarom is dat belangrijk?

‘Ik zal een voorbeeld geven. Van de week las ik een bericht op Twitter waarin werd gezegd dat 'de sociale cohesie in steden bevorderd moet worden.’ Dat zijn conclusies die sociaal wetenschappers wel vaker trekken. Dat kan ook best waar zijn, maar de belangrijkste en de meest ingewikkelde vraag komt dan pas. Want hoe moet die sociale cohesie dan bevorderd worden? Welke handvatten hebben sociaal werkers bijvoorbeeld nodig om de samenhang in buurten te versterken? Hoe kunnen zij het beste het gesprek aangaan met mensen in hun wijk? Dat zijn vragen waarop de antwoorden van fundamenteel belang zijn om gericht iets te betekenen in de stad.’

Onderzoek aan de HvA richt zich met name op de stad?

‘Zo goed als volledig op de metropoolregio Amsterdam, inderdaad. De stad is een gigantisch laboratorium voor complexe vraagstukken. Denk aan mobiliteit, duurzaamheid, bestuurlijke samenwerking, armoede, noem maar op. In de regio Amsterdam spelen heel veel interessante kwesties die je in kleinere kernen niet hebt, terwijl men ook daar profijt kan hebben van de kennis die wij hier genereren. Wij hebben 48 duizend studenten die een bijdrage aan de stad kunnen leveren door te helpen professionele praktijken, maar ook het leven in de stad aangenamer te maken. Wij zijn dus de Hogeschool van Amsterdam, maar ook de Hogeschool voor Amsterdam. Bovendien helpt onderzoek studenten in hun latere carrière.’

Op wat voor manier?

‘Onze studenten worden opgeleid tot professionals die straks de stad vormgeven. Daarvoor reiken wij middelen en vaardigheden aan zodat studenten na hun studie hun beroep zo goed mogelijk uit kunnen oefenen. Zij moeten zich dan bewegen in een dynamische en complexe omgeving. Door tijdens de studie een onderzoekende houding aan te leren, spreken we het vermogen van studenten aan om kritisch te kijken en op de juiste momenten de vraag te stellen: 'Wat vind ik er eigenlijk van?.’ Dat is iets wat ook steeds meer van werknemers verwacht wordt, namelijk dat zij zelfstandig en verantwoord kunnen opereren. Dat wil dus niet zeggen dat we onderzoekers opleiden, ons onderwijs staat altijd in het teken van de beroepspraktijk. Hoe we onze studenten kennis kunnen laten maken met die praktijken en hoe we die tegelijkertijd beter kunnen maken.’

Kunt u een paar voorbeelden van praktijkgericht onderzoek?

‘Binnen het lectoraat Water van de faculteit Techniek wordt bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar het beperken van overstromingen. Het wordt steeds belangrijker dat onze steden rainproof zijn en dat we voorkomen dat kelders onderlopen. We weten dat het helpt als we niet allemaal tegels in onze tuinen leggen, maar hoe beweeg je mensen ertoe dat te gaan doen?

‘Een ander voorbeeld is een onderzoek naar de optimale locaties voor laadpalen voor elektrische auto's. Een simpele vraag, maar essentieel voor succesvol gebruik van schone auto's en publieke middelen. Een ander onderwerp dat zeer actueel is in de stad, is het aardgasvrij maken van bestaande woonwijken. Dat we over moeten op duurzame bronnen, is bekend, maar hoe krijgen we iedereen mee en onder welke voorwaarden? Dat zijn allemaal maatschappelijk belangrijke vragen, gericht op concrete opgaven in de stad en waaraan wij met onze medewerkers en studenten willen meewerken.’

Levert dat praktijkgerichte onderzoek ook concreet iets op?

‘Dat denk ik wel. Er zijn veel voorbeelden te noemen, maar als ik zo snel denk aan een paar onderwerpen binnen mijn eigen faculteit, denk ik bijvoorbeeld aan de aanpak van schuldenproblematiek. Met een multidisciplinaire aanpak hebben we heel concreet bij kunnen dragen aan handelingen waardoor schulden minder snel oplopen en mensen sneller uit de problemen zijn. Een ander voorbeeld is het ontwikkelen van onderbouwde interventies in de jeugdzorg. Dat heeft impact op de stad en op de mensen die er wonen. Soms gaat het om relatief kleine dingen, zoals het nadenken over iets als rolstoeltoegankelijkheid van de openbare ruimte in de stad, die grote invloed hebben op het leven van mensen die, in dit geval, afhankelijk zijn van een rolstoel. Maar wij deinzen er ook niet voor terug grote en ingewikkelde vragen op te pakken. En we willen daar nog verder in gaan in de komende tijd.’

Waar denkt u dan aan?

‘We laten studenten, onder begeleiding van docenten, werken aan grand challenges. Lang heeft iedereen gedacht dat het niet mogelijk zou zijn een man op de maan te zetten, maar dat is toch gelukt. Vanuit die gedachte willen we studenten aan grote stedelijke vraagstukken laten werken. Zo gaan in de opleiding Social Work studenten anderhalf jaar met onderwerpen aan de slag die onoplosbaar lijken. Is het mogelijk iedereen een dak boven zijn of haar hoofd te geven? En is het mogelijk om armoede op te lossen? Je zou denken dat het antwoord op beide vragen 'ja' is, maar ook hier geldt weer: hoe gaan we dat dan doen? Het idee is dat studenten vanaf jaar één in programma's meedoen waar dergelijke vragen centraal staan.’

Welke ambities heeft de HvA nog meer op het gebied van onderzoek?

‘Wat ik van belang vind is dat praktijkgericht onderzoek niet als een mindere variant van wetenschappelijk onderzoek gezien wordt. Ik ben nog steeds hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, maar vooral decaan aan de HvA. Toen ik die stap enkele jaren geleden maakte, vroegen meerdere collega academici zich af wat ik in hemelsnaam ging doen. Er werd neergekeken op de hogeschool en het onderzoek dat wij hier doen. Maar het is anders en, niets ten nadele van fundamenteel onderzoek, ik vind de vragen die in het praktijkgerichte onderzoek gesteld worden, vaak veel ingewikkelder. Hoe je cultuurverandering tot stand brengt, hoe je de drukte in de stad beter kunt managen of hoe je het welzijn van mensen kunt verbeteren. Dat is niet bepaald eenvoudig en ik vind dat daar meer waardering voor mag zijn.

‘Overigens zie ik die beeldvorming ook wel veranderen. Journalisten, bedrijven en overheden krijgen steeds meer door dat wij met interessante en innovatieve dingen bezig zijn. Het onderzoek dat wij hier doen is vooral anders dan dat aan de universiteit. En daar zijn wij heel ambitieus in. Zo willen we naast de grand challenges die ik eerder noemde, het interdisciplinaire praktijkgerichte onderzoek nog verder uitbouwen. En om die ambities waar te maken en het onderzoek aan de grootste kennisinstelling van Amsterdam verder te laten groeien is meer erkenning nodig, onder meer van Den Haag, want we zullen meer budget nodig hebben.’

Dit artikel verscheen eerder in de lustrumuitgave Creating Tomorrow Together (2018) en werd geschreven door Joost Zonneveld.