Hogeschool van Amsterdam

Amsterdams Kenniscentrum voor Maatschappelijke Innovatie

Maakt de transitie de Jeugdzorg ook beter?

Pleegouder deelt ervaringen met uithuisgeplaatste kinderen

6 okt 2015 15:29 | AKMI

De Studium Generale ‘Wie zorgt er dan voor ons’ op woensdag 30 september werd druk bezocht en leverde genoeg discussie en vragen op voor verdergaand onderzoek. Thema’s als het huidige functioneren van instellingen in de Jeugdzorg en de positie van het (pleeg)kind stonden centraal. Het publiek waarvan tweederde persoonlijk of via hun omgeving ‘ervaringsdeskundig’ bleek te zijn, reageerde in een levendige interactie op de presentatie van Marga Ganzevles. Zij heeft samen met haar partner Rob de Blok al een aantal jaar een pleeghuis, waarin ze langdurig kinderen opvangen die niet meer thuis kunnen wonen. Zij ervaren van dichtbij welke moeilijkheden vaak ontstaan bij het uithuisplaatsen van kinderen en in het hieropvolgende hulpverleningstraject.

Wie is er nog te vertrouwen

Bij een uithuisplaatsing raakt een jong kind vaak in een klap alles kwijt wat daarvoor nog enige stabiliteit bood. Het kind moet niet alleen het ouderlijk huis achterlaten, maar ook vriendjes, school en familie. Het geweld, de mishandeling en verwaarlozing waar deze kinderen thuis mee te maken hebben, zorgen ervoor dat bijna alle uithuisgeplaatste kinderen onveilig gehecht zijn. Zodra ze ouder worden, ontwikkelen deze kinderen een permanent wantrouwen tegenover de wereld, hun omgeving en zichzelf.

Door dit voortdurend ‘op hun hoede zijn’ worden ze vaak extreem zelfstandig voor hun leeftijd, dulden zij geen gezag en willen ze altijd controle houden over de situatie. De opgelopen trauma’s zorgen daarnaast voor veel onrustig gedrag. Soms is het gedrag van het kind zo onvoorspelbaar of onrustig en maken ze zo slecht contact met andere mensen, dat ze algauw de diagnose van ADHD of autisme krijgen. Voor deze trauma’s is bij jonge kinderen helaas nauwelijks goede therapie beschikbaar en de bestaande therapie wordt vaak niet, of te laat ingezet omdat de behandelaar eerst een vertrouwensband met het kind wil ontwikkelen. En bij deze groep ontbreekt nu juist het vermogen om te vertrouwen. Een vertrouwensband tussen hulpverlener en cliënt wordt in de opleiding daarentegen beschouwd als een van de meest bepalende factoren voor het succes van de therapie.

Ouders of pleeggezin

Naast dit dilemma ziet Marga Ganzevles nog een ander probleem in de aanpak rond uithuisplaatsing. Namelijk de manier waarop in Nederland gekeken wordt naar de rol van ouders bij de opvoeding van hun kind. In ons land overheerst nog altijd het idee dat kinderen het beste thuis bij hun ouders kunnen opgroeien, ongeacht het vermogen van ouders om hun kind een veilige opvoeding te bieden. Dit idee is dominant bij zowel hulpverleners als familie en daarom worden kinderen vaak na een periode bij een pleeggezin weer terug naar huis geplaatst. Niet zelden gebeurt het dat het kind opnieuw weg moet uit de thuissituatie omdat de ouders achteraf niet stabiel genoeg bleken om voor het kind te zorgen. Gevolg: het kind is niet in staat zich veilig te gaan hechten in het pleeggezin en het precaire vertrouwen in de pleegouder wordt teniet gedaan. Heel anders dan in Amerika, waar de ouders na twee jaar uithuisplaatsing het gezag over hun kind verliezen. Hierdoor krijg het kind meer zekerheid over waar het opgroeit en kan het zich stabieler ontwikkelen. Voor Marga en enkele aanwezigen uit het publiek lijkt dit beleid ook voor Nederland wenselijk. Kinderen hebben bestaanszekerheid nodig: Dat betekent: weten waar je gaat opgroeien en wie er voor je zal zorgen.

Maakt de transitie de Jeugdzorg beter?

Tegen het eind van de bijeenkomst volgde nog een felle discussie over de grenzen van het vermogen van ouders om een kind op te voeden en wat de rol van hulpverleners hierin is. En ook: hoe past de visie van Marga Ganzevles binnen een welzijnsklimaat waarin de burgers veel meer dingen zelf op moeten pakken? In de participatiemaatschappij trekt de overheid zich steeds meer terug en blijft er minder beschikbare specialistische hulp over. Familie en andere betrokkenen moeten nu eerder aan de bel trekken als er twijfel is aan de veiligheid van het kind. Maar zal dit ook zo gebeuren, zorgt de transitie ervoor dat alles anders (beter) wordt? Na afloop van de Studium Generale is er nog geen passend antwoord op deze vragen. De praktijk van de toekomst zal het leren.

 

 

Agenda WMO werkplaats Amsterdam