Hogeschool van Amsterdam

Kenniscentrum Achieve

Klinische en functionele karakteristieken van kinderen met gegeneraliseerde hypermobiliteit

Promotieonderzoek

Project

Klinische en functionele karakteristieken van kinderen met gegeneraliseerde hypermobiliteit van de gewrichten en daaraan gekoppelde klachten.

7993
Financiering: NWO promotiebeurs
Promotor:  prof. dr. Frans Nollet (AMC), prof. dr. Raoul Engelbert (HvA)
Lectoraat:  Fysiotherapie - transitie van zorg bij complexe patiënten

Hij heeft in 2010 en 2011 een aantal onderzoeken verricht bij studenten van de ASHP en bij professionele dansers van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Dit onderzoek is bekroond met het beste onderzoeksvoorstel van de HvA (2010) en onlangs gepubliceerd in Rheumatology.

Interview met Mark Scheper 

Onderzoekslijn ‘Patiënten met complexe zorgproblematiek’

Draai eens je onderarm zodat je je handpalm ziet. Gelukt? Buig dan vervolgens je duim zo dat deze je onderarm raakt. Lukt dit niet of nauwelijks? Niks aan de hand; slechts een minderheid is soepel genoeg voor dit kunstje. Exacte cijfers ontbreken, maar zo’n 10 tot 25 % van de Nederlandse bevolking heeft die grotere soepelheid in pezen, spieren en gewrichten waardoor de duim meer dan 90 graden draait. Hun bindweefsel kent een afwijking waardoor ook hun huid elastischer is dan gemiddeld. Fysiotherapeut en bewegingswetenschapper Mark Scheper doet onderzoek naar dit zogenaamde Hypermobiliteitssyndroom (HMS), en zoomt in op kinderen met HMS en de daarbij horende klachten. Want je been in je nek leggen lijkt handig als je turnt, maar in de praktijk gaat HMS vaak gepaard met pijn- en vermoeidheidsklachten.

Je betrok professionele dansers met HMS bij je onderzoek en deed een verrassende ontdekking?

“Van dansers met HMS verwacht je misschien dat ze excelleren in hun vak, omdat hun lenigheid als een pre wordt gezien. Ze zijn in betere conditie dan niet-dansers, maar in vergelijking met hypermobiele niet-dansers vermoeider. Opvallender nog is dat de dansers ernstigere angst- en depressieklachten ervaren. Aanwijzingen voor verbanden tussen HMS en angsten bestonden al langer, en deze studie bevestigt dat.”

Hoe is dat verband te verklaren?

“Er is een gen dat bepaalt hoe lenig het bindweefsel van een mens is. Het vermoeden bestaat dat ditzelfde gen ook met de emotie angst is te associëren.”

Hoe zou een behandelplan voor mensen met HMS eruit kunnen zien?

“Met collega-onderzoeker Janneke de Vries onderzoek ik momenteel of kinderen baat hebben bij een behandelprogramma waarin verbetering van activiteiten voorop staat. Voorheen lag de focus teveel op het optimaliseren van lichaamsfuncties. De psychische effecten verdienen ook meer aandacht.”

De fascinatie voor dit onderzoek dat raakt aan zowel lichaam als geest als omgeving, kent volgens Scheper een oorsprong in het kind dat hij was: een onhandig bewegende jongen die daarom van zijn ouders juist op sport moest. Dat diezelfde jongen later vijftien jaar lang op het hoogste niveau full contact karate beoefende, verbaast hem nog steeds:

“Andere factoren dan mijn lichaam kunnen verklaren dat ik sportte. De hulp van mijn ouders, dat mijn lichaam zich snel herstelt, en dat ik niet bang aangelegd ben bijvoorbeeld. De interactie tussen al die zaken interesseert me in mijn onderzoek. Natuurlijk is niet alles te verklaren; de vraag hoevéél ik kan verklaren vind ik interessanter.”

Je betrekt studenten bij je onderzoek. Waarom is het belangrijk dat er op het hbo meer aandacht komt voor onderzoek?

“De fysiotherapeut ontwikkelt zich steeds meer tot een evidence-based practitioner. Voor een goede diagnostiek bekijk je niet alleen de individuele klachten van een patiënt, maar grijp je ook terug naar theorie uit wetenschappelijk onderzoek. Door studenten tijdens hun studie goed te leren meten, zijn ze in staat dit later in hun werk ook toe te passen. Voor mijn onderzoek voerde studenten succesvol complexe metingen uit. En dan heb ik het nog niet eens over de bijkomende positieve effecten gehad: studenten komen met patiënten in aanraking, en een meting die ons met z’n tweeën honderd dagen zou hebben gekost, was nu klaar in drie dagen! In het ideale geval zit een vak onderzoeksmethoden over een paar jaar in het curriculum.” 

Gepubliceerd door  Kenniscentrum Gezondheid 18 november 2016