Hogeschool van Amsterdam

Kenniscentrum Gezondheid - Achieve

PSYCHIATRIE EN SOMATIEK OP ÉÉN KUSSEN…..

Lectorale rede uitgesproken op dinsdag 11 oktober 2016 door Corine Latour

Animatie duivel hoofden

Omslagillustratie en illustraties binnenwerk: © Marian Latour, www.maclatour.nl
Tekst: © Corine Latour / HvA Publicaties, Amsterdam 2016

Dames, heren, veel mensen die ik heb uitgenodigd voor mijn rede zeiden; ‘hartstikke leuk, ik kom, enne, wat is dat eigenlijk, een lectorale rede….’ Dus eerst even helderheid daarover: Het uitspreken van een lectorale rede is een ritueel om het ambt van lector te aanvaarden. En het heeft ook een doel, ik heb het wel even opgezocht op internet trouwens. Het doel van het uitspreken van een rede is dat de lector de hoofdpunten van zijn lectoraat kan uitdragen, en expliceren wat zijn opvattingen en plannen zijn. Daar is beperkte tijd voor en die beperkte tijd dwingt een lector tot keuzes, inperking van thema’s en woorden1.

De mensen die mij een beetje kennen weten dat ik er weinig principes en veel opvattingen op na hou, dus die beperkte tijd is wel jammer, maar vooruit.

Dus, eerst een paar opvattingen die ik echt ff kwijt moet, dat lucht mij dan een beetje op, en dan zal ik expliciteren wat de plannen met mijn lectoraat zijn.

Mijn lectorale stoel gaat over integratie van psychiatrische en somatische zorg. De titel draagt twee zaken in zich: het gaat over ziekte en niet over gezondheid, en het gaat over zorg en niet over welzijn. En over deze termen is wel enige verwarring de laatste tijd, dus ik wil even wat ontwikkelingen in de zorg met u doornemen, kort hoor…..

De specialisatie en subspecialisatie van de afgelopen decennia heeft er voor gezorgd dat we een bijzonder hoog niveau van zorg hebben: als u ziek wordt dan kunnen we niet alles, maar toch echt heel veel. Verpleegkundigen zijn, in navolging van dokters, zich ook gaan specialiseren. En ook fysiotherapeuten, diëtisten en jeugdhulpverleners, kunnen er wat van. We hebben allemaal gezien dat dit leidt tot een woud aan hulpverleners die allemaal hun eigen ding waar ze goed in zijn doen, verwijzen en doorverwijzen, en soms helaas, ook geen oog meer hebben voor dat wat zich buiten het eigen specialistengebied afspeelt. En dat leidt uiteindelijk tot slecht gecoördineerde en vooral onbetaalbare zorg.

Dat moet anders. Dat vind ik niet alleen, dat vinden hulpverleners, patiënten, mantelzorgers en de overheid voorop, ook. En zo glijden we van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving omdat de overheid bedacht heeft dat dit een goede oplossing is.

Om te zorgen dat we het over het zelfde hebben: de participatiesamenleving, het woord van 2013,  is als volgt gedefinieerd:

‘De term participatiesamenleving betekent dat de overheid voortaan uitgaat van de eigen kracht en zelfredzaamheid vaneen ieder. Ziek of gezond, weerbaar of kwetsbaar, oude of nieuwe Nederlander: alle burgers hebben naast recht op zorg en op andere voorzieningen, ook de plicht om voor zichzelf en hun omgeving op te komen’2.

Uitgaan van de eigen kracht is natuurlijk een heel positief uitgangspunt voor mensen met enige veerkracht en een sterk sociaal netwerk. Maar de discussie is toch ook in hoge mate ingegeven door het feit dat de huidige verzorgingsstaat financieel niet meer houdbaar is. Maar waar zitten die torenhoge kosten nu eigenlijk? Maakt u zich geen zorgen, deze rede gaat niet alleen over geld…maar nu nog even wel. Veel kosten van de zorg worden bij heel weinig mensen gemaakt: onze zogenaamde complexe patiënten. Dit zijn patiënten met verschillende ziektes tegelijk, vaak lichamelijke en psychische ziekten, die veel medicijnen gebruiken, met een beperkt of geen sociaal vangnet, een lage sociaal economische status, met een zorgsysteem dat niet goed op elkaar afgestemd is. En, niet onbelangrijk, het gaat ook vaak om patiënten die slecht adviezen opvolgen en vaak conflicten met hulpverleners hebben3.

Juist onze meest kwetsbare en vooral zieke patiënten drukken zwaar op het budget, daar moeten we echt wat mee. Maar deze groep primair aanspreken op veerkracht, weghalen uit de sociale werkplaatsen, beschermde woonvormen, van de tweede lijn naar de eerste lijn verplaatsen, plagen met keukentafelgesprekken: gevalletje jammer.

Dus, opvatting: De switch die we nu maken van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving is prima, maar voor onze meest complexe patiënten graag heel veel verzorgingsstaat en zorg, zorg en zorg.

Oké, nog één opvatting. De definitie over gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie, de WHO, was aan vernieuwing toe, daar was iedereen het over eens. Mevrouw Huber en collega’s heeft een nieuwe definitie over gezondheid geformuleerd en deze is door veel mensen omarmd.

‘Gezondheid als het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’4.

Maar ff hoor: Mijn beste vriendin werd enige tijd geleden geconfronteerd met het feit dat zij borstkanker bleek te hebben. Dat was een schok. Het gaat nu weer heel goed met haar, ze zit hier ergens in de zaal, met weer een beste bos haar, maar er zijn momenten geweest dat het behoorlijk spannend was. Als ik de definitie van Huber op haar los zou laten zou ze gezond zijn, want als iemand het vermogen had en heeft zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven, dan is zij het wel, maar ze legde wel bijna het loodje, met haar gezonde aanpassingsvermogen. Ze was harstikke ziek.

Als we in de definitie het woord ‘gezondheid’ nu eens vervangen door ‘emotionele rijkdom’: Emotionele rijkdom als het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. Dan ben echt een bofferd als je dat goed kan en pech als je daar wat minder goed in bent.

En ook echt niet meer dan dat.

We leven in een maatschappij waarbij velen werkelijk geloven dat deze maakbaar is, gericht op succes, kansen pakken en carrière maken. En als dat niet lukt dan ben je dus een beetje mislukt. Mijn punt is dat de manier waarop we de participatiesamenleving en gezondheid nu definiëren in zich heeft dat je ook in je ziek zijn, je gekte en afwijkingen, eigen regie kan voeren, succesvol moet zijn: ‘crisis als persoonlijke groei’, geen ‘patiënt’ maar ‘burger’ of ‘klant’, ‘mensen met mogelijkheden’ in plaats van ‘mensen een met  verstandelijke beperking’. Allemaal ontkenning van dingen die we blijkbaar lastig vinden om onder ogen te zien.

En begrijpt u mij niet verkeerd: mensen met chronische ziektes, gekte of afwijkend gedrag willen en kunnen natuurlijk prima op hun gezonde of goed functionerende deel worden aangesproken en zijn ‘veel meer dan hun ziekte alleen’.

Maar onze meest kwetsbare groep patiënten is over het algemeen niet veerkrachtig, en kunnen slecht effectieve copingstrategieën inzetten. En zo sluiten we deze groep dubbel uit: Je bent dus eigenlijk al een beetje mislukt omdat je met je ziekte er niet in slaagt een waardevolle bijdrage aan de maatschappij kan leveren, en het lukt je ook niet om succesvol om te gaan met je ziekte en ellende omdat je nu eenmaal niet ‘het vermogen hebt je aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’.

En dat, simpele opvatting, vind ik gewoon niet oké. Het leidt, onder het mom van eigen verantwoordelijkheid moeten dragen en  eigen regie voeren, tot verwaarlozing en eenzaamheid. En hiermee we dreigen van ‘overuse’ en ‘misuse’ aan zorg naar ‘underuse’ van zorg te gaan5.

HET LECTORAAT ‘INTEGRATIE PSYCHIATRISCHE EN SOMATISCHE ZORG’

Zo, dit gezegd hebbende, mijn tijd is maar beperkt, nu dan nu naar mijn lectoraat ‘Integratie psychiatrische en somatische zorg’. En ik ga het hebben over zieke, complexe patiënten, over zorg en complexe zorgsystemen.

En daarvoor wil ik u eerst nog even mee terugnemen naar het lectoraat Evidence Based Nursing, het lectoraat van mijn voorganger Wilma Scholte op Reimer.

In haar lectorale rede ‘Van kijken naar zien en van weten naar doen’6 schetste zij het beeld van drie koeien. 

Animatie koeien

Wilma komt van de boerderij en met de drie koeien in beeld illustreerde zij dat je verstand van koeien moet hebben om te kunnen bepalen welke koe het meeste melk geeft. De dikke koe, de koe met de rechte rug, of  de magere koe. Door goed te kijken, verstand van koeien te hebben en een goede redenatie op te zetten kan je een uitspraak hierover doen. Wilma heeft heel veel verstand van koeien in relatie tot melk geven, ieder z’n expertise: een specialist, op het gebied van de melkkoe. Zoals we ook de specialisten in de zorg hebben waar ik het eerder over had. Maar kan Wilma op basis van deze plaatjes eigenlijk zien of de koe gelukkig of somber is, veerkrachtig, tevreden met de geboden verzorging, wat gaat er eigenlijk door het hoofd van deze beestjes? Hoe zit het met het geheugen, zou er eentje verslaafd zijn aan paardenbloemen zonder dat Wilma het in de gaten heeft? Ik heb het van tevoren gevraagd aan Wilma, en ze kon mij geen antwoord geven. Ze wist vooral hoe het met de melkproductie zat……

Experts, of specialisten, zijn in de zorg van groot belang, die zijn echt nodig bijvoorbeeld om een hele ingewikkelde hartoperatie uit te laten voeren, of voor complexe diagnostiek. Maar misschien zijn we de balans wel een beetje kwijt geraakt en zijn we uit het oog verloren wat de basis is, en vergeten we soms dat bijvoorbeeld met dat zieke hart ook een mens meekomt. En patiënten verwachten, als vanzelf, dat hun hoofd en lichaam, denken en voelen als één geheel wordt benaderd.

Ik kom niet van de boerderij, maar uit de grote stad en uit een groot gezin. Hier zijn we, 40 jaar geleden. 

Animatie kinderen

Wat ziet u eigenlijk? Dat het kappersvak ook een evolutie heeft doorgemaakt? U kunt eindeloos lang naar ons kijken en er van alles van vinden, maar kunt u een uitspraak doen wie van ons de patiënt is, en wie er complex in elkaar zit? Of misschien denkt u: wie van deze 6 zou er niet complex zijn? Dat zie je niet, daar kom je eigenlijk alleen maar achter als je de juiste vragen stelt.

Dat geldt bij patiënten ook in hoge mate: voor een belangrijk deel kom je er natuurlijk achter door goed te kijken, de juiste onderzoeken te doen, de juiste vragenlijsten af te nemen, verstand van zaken te hebben en een goed te redeneren. Maar wanneer er veel factoren bij elkaar komen dan blijkt er toch een neiging om zich terug te trekken op het eigen specialisme of subspecialisme en in het beste geval door te verwijzen voor het deel waar we ons niet comfortabel bij voelen, waardoor we voor deze complexe patiënt een complex zorgsysteem creëren.

Even dichter bij huis, want misschien heeft u niets met koeien of grote gezinnen uit de grote stad.

Stel, u wordt getroffen door een hartaanval, dat kan echt de beste overkomen. We weten prima wat we dan moeten doen, er zijn stapels richtlijnen. Of stel, u wordt getroffen door een depressie, ook hier geldt: dat kan de beste overkomen, en ook dan hebben we veel richtlijnen tot onze beschikking. Maar de dag dat u een hartaanval krijgt en aansluitend depressief wordt -en we weten dat ook dit veel voorkomt- dan is er toch een behoorlijke handelingsverlegenheid. Op polifysiek, de AMC-polikliniek die bij onze Faculteit Gezondheid in huis zit, wordt dagelijks met deze problematiek geworsteld. Bij meer dan 20% van de hartrevalidatiepatiënten die wij daar zien is er sprake van psychiatrische co-morbiditeit7. We willen wel goede zorg bieden, maar de richtlijnen bieden in die situatie onvoldoende houvast. Welke interventies zijn op welk moment gepast? En wat kunnen we op welk moment beter laten voor wat het is? We weten het niet goed.

Of de patiënt met suikerziekte die depressief wordt. Patiënten met diabetes hebben vaak fysieke klachten, bijvoorbeeld tintelende vingers, vermoeidheid, pijn bij het lopen, misselijkheid, obstipatie, enzovoorts. Sommige van deze symptomen passen ook bij depressieve klachten, zoals vermoeidheid, misselijkheid en obstipatie. Maar het gekke is dat wanneer een diabetespatiënt depressief wordt, hij vaak ook een toename van lichamelijke klachten rapporteert die niet direct passen bij depressieve klachten, zoals nog meer last van tintelende vingers8. De patiënt gaat naar de dokter en de dokter verwijst door of doet nader onderzoek, er komen medicijnen bij en de kosten voor de zorg stijgen. In het beste geval wordt de depressie gediagnostiseerd, en wordt de patiënt doorverwezen naar de geestelijke gezondheidszorg.

Een patiënt met suikerziekte heeft over het algemeen uitstekende toegang tot een behandelteam bestaande uit een internist, een diëtiste, een podoloog, een oogarts, een neuroloog, een verpleegkundig specialist diabeteszorg, en een maatschappelijk werker. We noemen dit een diseasemanagement team; een team dat goed kan inspelen op de complicaties die bij een dergelijke chronisch ziekte kunnen voorkomen. Dergelijke teams zijn volgens het zogenaamde ‘chronic care model’ opgezet9. Een team dat multidisciplinaire preventieve langetermijnzorg levert, dat patiënten stimuleert om actief aan de zorg deel te nemen en waarbij de uitkomst van de behandeling in hoge mate bepaald wordt door de mate waarin de patiënt in staat is om aan de eisen die de behandeling aan hem stelt te voldoen. Het is goed voorstelbaar dat als iemand een depressie of een beginnende dementie heeft, náást de suikerziekte, dit een negatieve invloed heeft op de mate van medewerking van, en samenwerking met de patiënt. Voor deze patiënten is een meer geïntegreerde, of biopsychosociale benadering gepast. Bij een dergelijke benadering wordt niet zozeer naar de oorzaken van de problemen gekeken, maar meer naar de samenhang10. Groepen patiënten voor wie een dergelijke geïntegreerde benadering gepast is, zijn

  • de kwetsbare ouderen, Bianca Buurman heeft u daar zojuist al veel over verteld;
  • patiënten met chronische lichamelijke ziekten met bijkomende psychiatrische stoornissen zoals angststoornissen, depressies of verslavingsziekten;
  • patiënten die vanwege lichamelijke ziekten, stoornissen in het functioneren van de hersenen krijgen, bijvoorbeeld dementie bij de ziekte van Parkinson of stemmingsstoornissen bij Multiple Sclerose;
  • patiënten die door hun moeilijke of complexe gedrag lichamelijk ziektes krijgen, bijvoorbeeld patiënten die zichzelf verwonden of patiënten met ernstige eetstoornissen en ten slotte en niet in de laatste plaats
  • patiënten die chronisch klagen over hun lichamelijke toestand zonder dat er een duidelijk aanwijsbare lichamelijke aandoening kan worden gevonden11.

VROEGTIJDIG HERKENNEN VAN ‘COMPLEXE PATIËNTEN’

Het begint er eigenlijk mee deze patiënten vroegtijdig te detecteren of te herkennen. Daarvoor moet je goed kijken, maar je moet toch ook vooral de goede vragen stellen om samenhang tussen de verschillende factoren te kunnen zien en deze te kunnen duiden.

Animatie duivel koffer

Met behulp van meetinstrumenten zoals de INTERMED (IM), een tool om meer grip te krijgen op patiëntencomplexiteit en zorgcomplexiteit, kunnen we onderzoeken hoe we de zorg voor deze –relatief kleine groep patiënten, die relatief veel geld kost- beter en efficiënter kunnen inrichten12. De IM-methode is ontwikkeld om patiënten met complexe zorgbehoeften in kaart te brengen en de juiste zorg te verlenen. Mijn halve proefschrift heb ik hier mee gevuld, dus vertrouw er voor het gemak even op dat ik het over een gevalideerd instrument heb13. In principe kan men met de IM-methode de complexiteit van volwassen patiënten, in alle zorgfaciliteiten, dus in het ziekenhuis, de polikliniek en in de wijk, analyseren. De IM-methode gaat uit van de biopsychosociale of integrale benadering. Via een interview verzamelt de hulpverlener gegevens over de lichamelijke (biologische), de psychische en sociale toestand van de patiënt, en gegevens over de zorgverlening om zo een beter inzicht te krijgen in de risico’s die de zorg van deze patiënt bedreigen. Nadat men met het interview de gegevens over deze risico’s heeft geïnventariseerd, worden de risico’s gewogen.

Deze risicoweging leidt tegelijkertijd tot een aanwijzing wat men aan deze risico’s moet doen: niets (groen), in de gaten houden (geel), actief handelen (oranje), of intensief of onmiddellijk handelen (rood).

Animatie duivels INTERMED

Deze risicoweging gekoppeld aan actie-niveaus maakt dat de IM-methode een besliskundige methode is. Doordat de risico’s in een schema zijn geordend en de weging van de risico’s met kleuren worden aangegeven, ontstaat een overzicht in één figuur. Dit overzicht kan gebruikt worden om de afstemming tussen disciplines, die bij complexe patiënten essentieel is, te vergemakkelijken. Er is tegenwoordig prachtige ICT beschikbaar om dit inzichtelijk en veilig toegankelijk te maken voor de verschillende betrokken partijen. En dat kan ons echt helpen omdat wij hulpverleners, het een beetje verleerd zijn om dezelfde taal te spreken, de patiënt en diens mantelzorger centraal te stellen, en omdat we de organisatie van onze zorg ooit niet zo slim hebben bedacht.

De gezondheidszorg kent namelijk een aantal organiserende principes. Om te beginnen is er de tweedeling tussen somatische en geestelijke gezondheidszorg. Vervolgens is er het al dan niet spoedeisende karakter van het probleem. Dan zijn er de specialismen, die in toenemende mate onderverdeeld zijn in subspecialisaties waarbij spreekuren soms zelfs nog maar op één diagnose zijn afgestemd, bijvoorbeeld een diabetespoli of een MS-spreekuur. En dan zijn er nog de verzekeringseisen die strikt bepalen wat wel en wat niet gedeclareerd mag worden.

Dat mag dan vanuit een strikt medisch en financieel standpunt een rationele organisatie zijn, maar veel patiënten passen niet in een dergelijk systeem omdat ze aan combinaties van ziekten lijden of zich niet gedragen als de ‘standaard-patiënt’. Iedere arts, fysiotherapeut, diëtist, ergotherapeut of verpleegkundige weet dat de ene patiënt veel bewerkelijker is dan de ander, ook al komen beiden met hetzelfde medische probleem. Als de meer complexe patiënten tijdig gedetecteerd worden, dan kan een individueel zorg- en behandelplan worden opgesteld, afgestemd op de specifieke behoeften van de patiënt. Dit plan heeft een integraal karakter en is veelal interdisciplinair van aard zijn. Ingebed in deze integrale behandeling kan ook de specialistische zorg beter verlopen14.

BELANG VAN INTEGRATIE PSYCHIATRISCHE EN SOMATISCHE ZORG

Maar is het nu eigenlijk erg, dat we de zorg voor onze complexe patiënten niet optimaal georganiseerd hebben en dat we er eigenlijk niet zoveel van weten? Het kost ons klauwen met geld, maar geld is maar geld. En ja, het brengt ons hulpverleners, soms in verlegenheid, maar het gaat uiteindelijk maar om een minderheid van onze patiënten.

Ik schets u graag een aantal situaties die het belang van een betere integratie van psychiatrische en somatische zorg onderstrepen:

  1. Onderzoek wijst uit dat patiënten met een manische-depressieve of psychotische stoornis een grotere kans hebben op het krijgen van somatische ziekten. De redenen hiervoor zijn onder meer:
  • een ongezonde leefstijl, zoals veel roken en drinken, en ongezond eten. Stoppen-met-roken-poli’s worden niet druk bevolkt door psychiatrische patiënten terwijl dit, gegeven het aantal rokers onder hen, wel zo zou moeten zijn. We  zien in de praktijk dat deze patiënten minder vaak interventies worden aangeboden om de gezondheid of gezond gedrag te verbeteren.
  • Daarnaast zijn er de bijwerkingen van medicatie: Een veel voorkomende bijwerking van psychofarmaca is een gewichtstoename, waardoor er een directe relatie is met een verhoogd risico op suikerziekte en hartziekten. Wist u dat patiënten met schizofrenie gemiddeld vijftien tot 20 jaar jaar minder lang leven dan patiënten die niet aan deze psychotische stoornis lijden15? Dat komt niet alleen doordat er vaker suïcides voorkomen in deze patiëntengroep, daar is voor gecorrigeerd. Het zit ‘m in het feit dat deze groep patiënten somatisch zo kwetsbaar is. Vijftien tot 20 jaar, dat is een getal waar ook u, wat mij betreft,  heel af en toe van wakker mag liggen.
  1. Het doormaken van een hartinfarct is voor de meeste mensen een schokkende ervaring. Goede revalidatie, met name gericht op voldoende bewegen, is letterlijk van levensbelang. Maar we zien ook dat zo’n 20% van deze patiënten een zo ernstige angst ontwikkelen om weer te gaan bewegen, dat ze tot niets meer komen16. Kinesiofobie heet dat. Mag u weer vergeten, maar ik vind het wel een gaaf woord. We weten bij kinesiofobie niet goed welke interventies we moeten toepassen om ervoor te zorgen dat deze patiënten weer in beweging komen.
  2. Nog eentje dan. Een onlangs gepubliceerd onderzoek uit de Verenigde Staten toont aan dat patiënten met een ernstige psychiatrische stoornis die worden opgenomen in een algemeen ziekenhuis een veel grotere kans hebben op complicaties, en dat de kans om te overlijden binnen 30 dagen na een chirurgische ingreep aanzienlijk hoger is dan patiënten die geen psychiatrische ziekte met zich mee dragen17.

En ga ik met mijn lectoraat ‘Integratie psychiatrische en somatisch zorg’ de komende jaren de wereld verbeteren? Ik dacht het wel! Met het lectoraat bewandel ik twee wegen, want eentje is een beetje saai.

Animatie duivel wegwijzer

Enerzijds doen we al, of gaan we onderzoek doen bij patiënten die zowel somatische als psychiatrische ziekten hebben. Middels onderzoek beogen we de zorg voor somatisch zieke patiënten met psychiatrische problematiek te verbeteren via integratie van bestaande psychiatrische kennis en hulpmiddelen. François Schellevis benadrukte in zijn oratie zo mooi het belang van het doen van onderzoek bij patiënten met multi-morbiditeit, waarbij multi-morbiditeit niet als uitsluitings- of correctiefactor wordt gezien maar als een ‘variable of interest’18 . Naast beter gebruik van bestaande psychiatrische kennis in de somatische zorg wordt nieuwe kennis gegenereerd. De bestaande kennis schiet nu vaak tekort. Voorbeelden van openstaande vragen zijn:

  • Wat is de juiste behandelingsvolgorde bij cardiale patiënten met een depressie: beter eerst depressieve klachten behandelen en dan fysieke revalidatie of beter beide tegelijk?
  • Hoe kunnen we beter inzicht krijgen in fysieke en functionele beperkingen bij hartpatiënten met kinesiofobie?
  • Hoe kunnen we risicofactoren bij patiënten met recent ontstane psychose, met een verhoogd risico op overlijden door cardiovasculaire oorzaken beter in kaart brengen?

De andere weg gaat over het stevig neerzetten van de zogenaamde trias academica. 

Animatie duivel trias

Onderzoek, praktijk en onderwijs dienen altijd hand in hand te gaan. Middels academische werkplaatsen, die we opstarten met Cordaan, Allerzorg en het AMC, zullen we hier invulling aan geven.

Een academische werkplaats is een kennisinfrastructuur waarin praktijk, onderzoek en opleiding een samenwerking aangaan en waarin samen wordt gewerkt aan het oplossen van vraagstukken, dit alles in een interdisciplinaire context. De subsidie die we hebben aangevraagd hiervoor is binnen, en dat geeft ons gelijk slagkracht om de vele andere instellingen die ook willen meedoen gelijk mee te nemen in deze mooie ontwikkelingen.

DROMEN VOOR DE TOEKOMST

Animatie duivel roze wolk

Deels zal dit alles in lopende onderzoek gaan plaatsvinden, maar een lector mag bij een rede ook dagdromen. En ik heb wel wat roze wolkjes waar ik graag over fantaseer:

Een leuke dagdroom die Lieuwe de Haan, hoogleraar psychotische stoornissen in het AMC, met mij wilde delen, is het opzetten van een zogenaamde hoofd-hart poli. Een polikliniek waar cardiologen, psychiaters, verpleegkundigen en andere hulpverleners samen zorgdragen voor patiënten met een psychotische stoornis, waarbij we opvallend vaak zien dat er sprake is van cardiovasculair lijden. Zo zien we bij patiënten met schizofrenie dat een deel van de oversterfte komt door plotse hartdood. Dat is enerzijds het gevolg van het lijden aan het metabool-syndroom, maar ook doordat bij patiënten met schizofrenie opvallend vaak het Brugada-syndroom voorkomt, een erfelijke aandoening waarbij er iets mis is met het ritme van het hart, en een verhoogd risico op plotse hartdood geeft19.

Onderzoek naar de werkingsmechanismen en naar leefstijl middels straight-forward trials om bovenstaande punten beter te begrijpen zou de zorg voor deze patiënten en onze inzichten over schizofrenie in relatie tot hartproblemen verbeteren.

Nog een droom is om, samen met de collega-lectoren van de faculteit, te komen tot in ieder geval één, maar liefst iets meer masteropleidingen. Het hebben van een sterke Bachelor-Master-structuur helpt om onderzoek meer ‘smoel’ te geven. Dit is wel een droom van de afdeling ‘doorzetten en lange adem’. Want zeg je master, dan zeg je ook business case, Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, de Toets Nieuwe Opleiding, examencommissie, medezeggenschapsraad, Student Informatie Systeem enzovoort. Maar te belangrijk om niet mee te nemen in de dagdromerij, want een goede Bachelor-Master-structuur zal het niveau van onze gezondheidszorgopleiding doen toenemen. Er is genoeg en overtuigend onderzoek dat aantoont dat een hoger niveau van opleiden leidt tot betere en veiligere patiëntenzorg.

Een andere droom is om praktijkgericht onderzoek op te zetten, zowel in het ziekenhuis als in de wijk, om patiënten met complexe zorgbehoeften met behulp van de INTERMED-methode betere zorg te verlenen. Ik heb mijn tekst en ideeën al klaar liggen voor een komende subsidieronde.

Een laatste droom is dat de integratie van psychiatrische en somatische zorg, vroegtijdige detectie van complexe patiënten met gebruik van de INTERMED-methode een mooie plaats krijgt in het curriculum van de opleiding verpleegkunde en het interprofessionele curriculum. Laat ik daar, als opleidingsmanager nu wat over te zeggen hebben.

Ik heb iets minder te zeggen over post-hbo opleiden, dus daarvoor heb ik mijn joker al ingezet. Met Annette Boenink, hoofd van de Psychiatrisch Consultatieve Dienst van het VUmc hebben we de training al klaarliggen, kwestie van uitrollen, daar kun je eigenlijk niet tegen zijn. Met gebruik van een goede webservice die ik als cadeautje heb gevraagd voor mijn benoeming, hoop ik dat we mooi en aantrekkelijk onderwijs kunnen maken voor onze bachelorstudenten, onze alumni, onze praktijkondersteuners in de wijk enzovoorts.

WAAROP MAG U MIJ AFREKENEN OVER 5 JAAR ( DAT IS OKTOBER 2021)

En waar mag u mij dan op afrekenen na 5 jaar:

Animatie Duivel kassa

Afrekening 1:

7 Promovendi vanuit mijn rol als als co-promotor in de komende 4 jaar toeleiden naar een proefschrift:

Afrekening 2:

Conform de strategische notitie van ons kenniscentrum ACHIEVE moet iedere lector ‘geldwervend vermogen’ hebben. Kom maar door, in mijn eerste jaar als lector is dat best al aardig gelukt.

Afrekening 3:

Een gezond personeelsbeleid waarbij onderzoek, praktijk en onderwijs als communicerende vaten logisch met elkaar verbonden zijn, waarbij er geen discussie meer is of het om onderwijs of om onderzoek gaat. En dat ik gerealiseerd heb dat iedereen begrijpt dat wanneer een docent betrokken is bij onderzoek of de praktijk, dit geen kostenpost is, maar dat je dan betere docenten krijgt.

Afrekening 4:

Een uitgangspunt binnen onze faculteit is dat onderwijs, onderzoek en praktijk een drie-eenheid is, de trias academica. Het koppelen van deze drie is logisch, vanzelfsprekend eigenlijk, maar in de praktijk echt lastig te realiseren. En dit is voor mij echt een belangrijke. De combinatie van lector-opleidingsmanager is er eentje waar ik heilig in geloof maar ook eentje die alleen maar gerechtvaardigd is als je van de trias academica een speerpunt maakt. Als ik er niet in slaag om deze trias academica krachtig neer te zetten in de komende jaren, dan mag wat mij betreft de discussie op tafel of ik wel de juiste persoon op de juiste plek ben. Yep, stoere taal maar ik durf het wel te zeggen: met Jolanda Maaskant als hoofd onderzoeker aan mijn rechterhand, en Judith van Grieken als hoofd opleiding aan mijn andere rechterhand durf ik deze uitspraak wel aan.

HEEL VEEL DANK AAN HEEL VEEL MENSEN

Dames, heren, ik kom aan het einde van mijn rede.

Ik had maar een half uurtje, en even wilde ik schrappen in het aantal woorden van dank om nog wat meer opvattingen en plannen met u te kunnen delen. Maar daarmee zou ik velen tekort doen en wat ik beoog met mijn lectoraat kan echt alleen maar dankzij deze mensen. Dus de laatste volle 5 minuten gaan naar u en een paar mensen in het bijzonder.

Animatie dankwoord

Ik dank het College van Bestuur van deze hogeschool voor het in mij gestelde vertrouwen en voor het instellen van het lectoraat Integratie psychiatrische en somatische zorg. Ook wil ik het bestuur van de faculteit Gezondheid bedanken, in het bijzonder de decaan.

En u allen, dank voor uw komst en nu weet ik in ieder geval zeker dat ik niemand van de aanwezigen vergeten ben.

Maar nu echt:

Team HBO-Verpleegkunde, de basis van waaruit ik al deze leuke dingen als opleidingsmanager en lector kan doen. Wat is het mooi om zien dat de onderzoekende houding die wij van onze studenten zo verlangen in de loop der jaren echt in ons DNA is gekomen. Een fantastische accreditatie en begin dit jaar zo mogelijk een nog betere interne audit. Wat een intellectueel kapitaal bij elkaar! Ik ben echt zo blij en zo trots dat ik bij dit team mag horen. Judith, een speciaal dankwoord voor jou is op z’n plek: het was wel een tropenjaartje. Je kwam binnen als teammanager en binnen een jaar was je hoofd opleiding en ik opleidingsmanager, lector. We hebben allebei, samen, en af en toe iets minder samen, gezocht naar hoe we ons in de nieuwe verhoudingen en posities moesten gedragen. We hebben wel eens getwijfeld of we het werk rond kregen maar nooit getwijfeld aan onze samenwerking. Het is echt zo fijn samenwerken met je.

Mijn collega’s van het MT, Bart, Margo, Stephan, Eric, Raoul en Wilma. Dank voor de samenwerking en ook het aangename lotgenotencontact. De combi van opleidingsmanager en lector verdient veel meer navolging binnen de HvA, maar een beetje een spagaat geeft het soms wel…. Ik verheug me en heb hoge verwachtingen van het cabaret, dans, muziek en gedichten. Jullie hebben het er al over sinds april dus kom maar door straks.

Wilma, niet eerder heb ik zo lang dezelfde baas gehad in mijn carrière! Dank voor het vertrouwen dat je me geeft, de vrijheid om de dingen te doen die ik zo leuk vind om te doen, de heftige discussie die we kunnen hebben omdat we het hardgrondig oneens zijn met elkaar, waar dan altijd een moment komt dat je zegt -ja, vind je niet leuk dat ik dit zeg maar...-, dat is echt heel irritant J. Maar, de eindeloze pret die we hebben, gewoon omdat we de meeste dingen in ons werk reuze lollig vinden, maakt dat dan wel weer goed.

Mijn collega-onderzoekers van de INTERMED-groep. Eén a twee keer per jaar treffen we elkaar. In Nederland, Italië, Oostenrijk en Duitsland, of Amerika, we skypen met Japan en wat hebben we het leuk samen. We hobby-en validiteitsstudies aan elkaar, leren van elkaar, onderhouden een website. En wij bewijzen iedere keer weer dat als je het gewoon doet, zonder grootste projectplannen, zonder begroting maar met passie en overgave, niet omdat het moet maar omdat het leuk en betekenisvol is om te doen, dan ontstaat er veel moois.

Mijn collega’s van de Case Management Society of America, the CMSA, en Cheri Lattimer in het bijzonder. Wat ben ik vereerd dat ik lid van jullie club mag zijn en ieder jaar mag aanschuiven aan tafel met de grote dames en heren. Het meeschrijven van de tweede editie van de Integrated Case Management Manual is een mooie en spannende uitdaging. De support die jullie geven bij het onderzoeken naar mogelijkheden om een master casemanagement op te zetten is geweldig. Dank!

De onderzoeksgroep van het kenniscentrum ACHIEVE, Bart, Raoul, Margo, Wilma, Eric, Marieke, Anne en Bianca, senior-onderzoekers, promovendi, junior-onderzoekers, onderzoeksassistenten: wat een mooie groei maken we door. Zoveel groei dat ik echt niet iedereen bij naam kan noemen, excuus. We verbinden steeds meer onderzoekers en onderzoek aan ons: dat is belangrijk want geeft slagkracht, en we worden ook steeds beter met elkaar. Ik bof om in deze inspirerende omgeving mijn onderzoek te kunnen doen.

Grote broers, grote zus, neefjes, nichtjes, schoonzussen, mam en Cor, pap en Els, Ellen en George. We lopen de deur niet bij elkaar plat, maar bij begrafenissen, scheiding, feesten en trouwerijen zijn we er, altijd, en voor elkaar. En af en toe een weekend weg met z’n allen, wat was het leuk afgelopen weekend. We zijn met heel veel, en het is heel bijzonder en iets om te koesteren dat we elkaar altijd weten te vinden.

Marian, lieve grote zus, dank voor het maken van de uitnodiging en de illustraties bij de deze rede, en je weet, dank voor nog veel meer.

My two men from Amsterdam. Wat hebben we het goed samen. Lieve Melle, dagelijks wijs je me er op dat wat ik doe echt wel aardig is maar dat de echt belangrijke dingen in het leven natuurlijk gaan over roeien. Afriggeren; ¾ ½  ½ ¾ heel oprijden; backsplash; coxbox; flexfoots; heelstring; skeg en slifferen Ik volg je al lang niet meer. Pierre en ik verschillen in heel veel dingen van elkaar, maar een ding hebben we gemeen: als we ergens voor gaan dan is dat all the way, vol passie en overgave. En wat is het fijn dat ik precies deze eigenschap in jou terug zie.

Lieve Pierre,  het is een bijzondere dag en gelukkig voor mij is er de zekerheid dat ie heel gewoon eindigt, namelijk net als alle –ik heb het uitgerekend, en op de kop af- 11.000 dagen hiervoor, gewoon thuis, in elkaars armen, wat maak je me gelukkig.  Thanks darling.

  1. www.duurzame-innovatie.net/blog/net/lectoren Geraadpleegd 2 juli 2016.
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/participatiesamenleving Geraadpleegd 4 juli 2016
  3. Slaets JPJ, Huyse FJ, Gans ROB. Onfortuinlijke gezondheidszorg: zorg voor complexe patiënten kan efficiënter. Med Contact 2003; 40: 1519-22.
  4. Huber M, Knottnerus JA, van der Horst H et al. How should we define health? BMJ 2011; 26: 343.
  5. Richardson WC. Crossing the quality chasm: a new health system for the 21st century. Washington DC: National Academy Press; 2001.
  6. Scholte op Reimer, WJM, Evidence Based Nursing: ‘van kijken naar zien’ en ‘van weten naar doen’. Amsterdam: HvA publicaties; 2009.
  7. Pelletier R, Bacon LS, Arsenault A, Dupuis J, Laurin C, Blais L, Lavoie LK. Relative assocations between depression and anxiety on adverse cardiovascular events: does a history of coronarty artery disease matter? A prosective observatiobal study. BMJ Open. 2015; 5: 1-8.
  8. Ludman EJ, Katon W, Russo M, Von Korff G, Simon P, Ciechanowski P. et al. Depression and Diabetes Symptom Burden. Gen Hosp Psychiatry 2004; 26(3): 433.
  9. Wagner EH. The role of patiënt care teams in chronic disease management. BMJ 2000; 320: 569-72.
  10. Leentjes AFG, Gans ROB, Schols JMGA, van Weel C. Integrale geneeskunde: begripsbepaling, historie en concepten. In: Leentjes AFG, Gans ROB, Schols JMGA. Handboek Multidisciplinaire zorg. Utrecht: De Tijdstroom; 2010.
  11. Huyse FJ, Latour CHM. Geïntegreerde zorg voor complexe patiënten met de INTERMED methodiek. Handleiding HBO-V. Amsterdam: HvA publicaties; 2009.
  12. Latour CHM, Huyse FJ, de Vos R, Stalman W. A method to provide integrated care for complex medically ill patients in daily nursing practice: the INTERMED. Nurse health Sci. 2007; 9(2): 150-7.
  13. de Jonge, Latour CHM, Huyse FJ. Inter-rater reliability of the INTERMED in a heterogeneous somatic population. J Psychosom Res. 2002; 52(1):25-27.
  14. Latour CHM, de Vos R, Huyse FJ, van Gemert LAM, Stalman WAB. Effectiveness of post-discharge case management in general medical outpatients: a randomizes coltrolled trial. Psychosomatics 2006; 47(5): 421-9.
  15. Naylor C, Das P, Ross S, Honeyman M, Thompson J, Giburt H. 10 Priorities for integrating psysical and mental health. 2016. Beschikbaar via: http://www.kingsfund.org.uk/publications/physical-and-mental-health/priorities-for-integrating Geraadpleegd 8 Juli 2016.
  16. Bäck M, Cider Å, Herlitz J, Lundberg M, Jansson B. The impact on kinesiophobia (fear of movement) by clinical variables for patients with coronary artery disease. Int J Cardiol. 2013; 167(2): 391-7.
  17. Gail L, Daumit, MHS, Emma E, e.a. Patient Safety Events and Harms During Medical and Surgical Hospitalizations for Persons With Serious Mental Illness. Psychiatric Services in Advance 2016. Beschikbaar via: http://dx.doi.org/10.1176/appi.ps.201500415 Geraadpleegd 2 Juli 2016.
  18. Schellevis F. Je gaat het pas zien als je het door hebt. Utrecht: NIVEL; 2006.
  19. Blom MT, Cohen D, Penninx BW, Nijpels G, Stehouwer CD, Dekker JM, Tan HL. Bruganda syndrome ECG is highly prevelent in schizophrenia. Circ Arrhythm Electrophysiol. 2014; 7(3): 384-91.

Gepubliceerd door  Kenniscentrum Gezondheid 16 november 2018